Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
11-3287 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3287 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 april 2011, 10/6069 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak 18 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 6 november 2012, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 1 april 1994 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Op 30 oktober 2008 heeft appellante een gesprek gehad met haar consulent in het kader van een ‘deelonderzoek rechtmatigheid’. Op het daarvan opgemaakte rapportageformulier staat bij de vraag of de rekeningafschriften reden zijn voor nader onderzoek vermeld dat appellante een overzicht van haar bij- en afschrijvingen van de afgelopen drie maanden van haar bankrekening heeft ingeleverd en dat er, afgezien van het feit dat appellante af en toe een gokje waagt, geen bijzonderheden zijn te melden. In het kader van het ‘project PAV (alleenstaande vrouwen)’ heeft op 15 januari 2009 opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen appellante en haar consulent. Naar aanleiding van haar verklaring dat zij in de afgelopen periode regelmatig geldprijzen had gewonnen door middel van gokken op internet, heeft appellante op verzoek van haar consulent op 30 januari 2009 haar bankafschriften vanaf januari 2008 tot en met december 2008 ingeleverd. Uit die afschriften komt naar voren dat appellante van 14 maart 2008 tot en met eind december 2008 een bedrag van € 4.487,60 aan prijzengeld heeft ontvangen.

1.3. Bij besluit van 29 april 2010, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 augustus 2010 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 14 maart 2008 tot en met 31 maart 2008 herzien onderscheidenlijk ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van bruto € 5.693,67 van appellante teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door onvolledige en onjuiste inlichtingen dan wel te laat inlichtingen te verstrekken over de door haar ontvangen geldprijzen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college eerst uit de in januari 2009 overgelegde bankafschriften is gebleken dat appellante regelmatig winstinkomsten heeft ontvangen en dat appellante had moeten begrijpen dat zij deze inkomsten aan het college had moeten melden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat het college bij het vaststellen van de hoogte van de winst, waarop de inleg van appellante in mindering is gebracht, van onjuiste bedragen is uitgegaan. Het college was daarom bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de periode in geding te herzien onderscheidenlijk in te trekken, met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de teveel aan appellante verleende bijstand terug te vorderen en met toepassing van artikel 58, vierde lid, van de WWB de vordering te bruteren.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het college van brutering had moeten afzien, omdat al op voorhand bij het college bekend was dat zij gokte en het college daaraan geen aandacht heeft besteed totdat eind april 2010 is besloten haar uitkering te herzien. Voorts heeft het college bij de vaststelling van de hoogte van de winstinkomsten ten onrechte slechts rekening gehouden met de bijgeschreven bedragen en niet met de door haar gemaakte kosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hij voegt daaraan toe dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college eerder dan in januari 2009 bekend is geworden met het feit dat zij in de periode van 14 maart 2008 tot en met december 2009 diverse geldprijzen tot een aanzienlijk bedrag heeft ontvangen. De beschikbare gegevens bieden geen aanknopingspunten voor de conclusie dat appellante daarvan al in het gesprek van 30 oktober 2008 aan haar consulent melding had gemaakt. De stelling dat zij voor het verwerven van het prijzengeld meer kosten heeft gemaakt dan de inleg waarmee het college bij het vaststellen van de hoogte van de winst rekening heeft gehouden, heeft appellante ook in hoger beroep niet met enig verifieerbaar gegeven onderbouwd.

4.2. Uit 4.1 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.R Schut en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) N.M. van Gorkum

IJ