Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6568

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
11-2926 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering bijstand. Buiten invordering stelling van gedeelte van de schuld. Overschrijding vermogensgrens. Bezit van onroerende zaken in Turkije. Schending inlichtingenverplichting. Appellanten hebben terecht aangevoerd dat voor de vaststelling van het vermogen de positieve bestanddelen van het vermogen gesaldeerd dienen te worden met die schulden waarvan aannemelijk is gemaakt dat zij bestaan en dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Nu aan de gehele schuld een verplichting tot daadwerkelijke terugbetaling is verbonden, heeft het college bij de vaststelling van het vermogen ten onrechte geen rekening gehouden met de volledige schuld van € 176.007,65 die appellanten aan het college hebben. Het is aan het college om nader onderzoek te doen naar de vraag of appellanten vermogen hebben uit de verkoop van het onroerend goed en of de omvang van dat vermogen op basis van de door appellanten te verstrekken gegevens is vast te stellen. De Raad draagt het college op om het gebrek te herstellen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2012-12-18
Algemene wet bestuursrecht 4:94, geldigheid: 2012-12-18
Wet werk en bijstand, geldigheid: 2012-12-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/10
RSV 2013/77
ABkort 2013/9

Uitspraak

11/2926 WWB-T, 11/2927 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 april 2011, 10/6218 en 10/6216 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Zaandam (college)

Datum uitspraak: 18 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2012. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Van den Bogaard. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ph. H. Arnold.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds september 1994 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 28 januari 2009 heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 januari 2009 ingetrokken, omdat uit onderzoek is gebleken dat zij over vermogen beschikken. Dit vermogen betreft diverse percelen bouwgrond en twee woningen, die zijn gewaardeerd op in totaal € 128.000,--. Bij besluit van 5 februari 2009 heeft het college de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2008 ingetrokken en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 176.007,65 van appellanten teruggevorderd. Deze besluiten zijn in bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 28 oktober 2009. Appellanten hebben daartegen geen beroep ingesteld.

1.3. Appellanten hebben op 5 juni 2009 opnieuw bijstand aangevraagd. Bij besluit van 2 september 2009 heeft het college met ingang van 3 april 2009 bijstand toegekend. Daarbij is het vermogen van appellanten vastgesteld op nihil, omdat tegenover het vermogen van € 128.000,-- een schuld staat van € 176.007,65.

1.4. Naar aanleiding van een rechtmatigheidsonderzoek heeft het college bij besluit van 15 april 2010 de bijstand met ingang van 14 april 2010 opgeschort op de grond dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Het college heeft appellanten verzocht om vóór 28 april 2010 een volledig overzicht te geven van hun vermogen en alle gegevens te verstrekken over de verkoop en overdracht van hun vermogensbestanddelen in Nederland en in het buitenland vanaf 2007.

1.5. Appellanten hebben het college laten weten geen verdere informatie te kunnen verschaffen. Het college heeft vervolgens bij brief van 5 juli 2010, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 18 oktober 2010 (bestreden besluit 1), appellanten tot nader order vrijgesteld van de verplichting tot terugbetaling van de bijstand tot een bedrag van € 147.927,65. Het college heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het vanwege het ontbreken van gegevens onmogelijk is de openstaande schuld van € 176.007,65 op appellanten te verhalen. Omdat appellanten onvoldoende informatie hebben verschaft over hun vermogen en de opbrengst daarvan, heeft het college vastgehouden aan de in het kader van de intrekking tot uitgangspunt genomen waarde van € 128.000,-- uit gewezen bezit van onroerende zaken in het buitenland. Aangezien het bezit feitelijk buiten het bereik van het college wordt gehouden, heeft het college tot uitgangspunt genomen dat hij gedurende de resterende levensverwachting van appellanten, door inhoudingen op het minimuminkomen van appellanten, maximaal € 28.080,-- kan invorderen. Het college benadrukt dat hij geen aanleiding ziet appellanten definitief te ontslaan van hun verplichting de kosten van bijstand terug te betalen.

1.6. Bij het besluit van 8 juli 2010, gehandhaafd bij besluit van 18 oktober 2010 (bestreden besluit 2) heeft het college de bijstand met ingang van 8 juli 2010 beëindigd op de grond dat appellanten kunnen beschikken over een vermogen van € 89.010,--, rekening houdend met een vermogen van € 128.000,-- en een in aanmerking te nemen schuld aan het college van € 28.080,--.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten van 18 oktober 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellanten hebben aangevoerd dat de brief van 5 juli 2010 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. De hoogte van de vordering wordt niet gewijzigd en dat geldt ook voor de lopende betalingsverplichting van € 130,-- door middel van verrekening met de uitkering. Gelet op die maandelijkse betalingsverplichting is het restant van de schuld van € 176.007,65 al buiten invordering gesteld. De brief van 5 juli 2010 is volgens appellanten daarom niet gericht op rechtsgevolg.

4.2. Het feit dat het college, rekening houdend met de beslagvrije voet, tot een maximumbedrag van € 130,00 per maand verrekent, neemt niet weg dat het college tot invordering kon overgaan voorzover appellanten over vermogen beschikken waarop het college verhaal kan zoeken. Bij het besluit van 5 juli 2010 heeft het college appellanten tot nader order vrijgesteld een gedeelte van het bedrag van € 176.007,65 terug te betalen. Dit heeft als rechtsgevolg dat het college gedurende het uitstel niet tot het volle bedrag van € 176.007,65 kan aanmanen of invorderen. Het betoog van appellanten dat geen sprake is van een besluit dat op rechtsgevolg is gericht kan dan ook niet slagen.

4.3. De omstandigheid dat het college een gedeelte van de schuld buiten invordering heeft gesteld, betekent niet dat niet langer sprake is van een schuld waarmee bij de vaststelling van het vermogen geen rekening hoeft te worden gehouden. In het bestreden besluit 2 is immers tot uitdrukking gebracht dat het feit dat een deel van de schuld buiten invordering is gesteld niet betekent dat appellanten definitief worden ontslagen van hun verplichting om de teveel ontvangen bijstand terug te betalen. Zodra appellanten over vermogen beschikken waarop het college verhaal kan halen, zal het college zijn besluit herzien en alsnog tot invordering overgaan.

4.4. Appellanten hebben terecht aangevoerd dat voor de vaststelling van het vermogen de positieve bestanddelen van het vermogen gesaldeerd dienen te worden met die schulden waarvan aannemelijk is gemaakt dat zij bestaan en dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Nu aan de gehele schuld een verplichting tot daadwerkelijke terugbetaling is verbonden, heeft het college bij de vaststelling van het vermogen ten onrechte geen rekening gehouden met de volledige schuld van € 176.007,65 die appellanten aan het college hebben.

4.5. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit 2 op een onvoldoende draagkrachtige motivering berust, zodat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb dient te worden vernietigd. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op bestreden besluit 2, eveneens vernietigd dient te worden.

4.6. De Raad dient vervolgens te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit 2 van 18 oktober 2010 niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien omdat gegevens over de opbrengst van de verkoop van het onroerend goed van appellanten in Turkije ontbreken. Het is aan het college om nader onderzoek te doen naar de vraag of appellanten vermogen hebben uit de verkoop van het onroerend goed en of de omvang van dat vermogen op basis van de door appellanten te verstrekken gegevens is vast te stellen.

5. De Raad zal met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college opdragen het gebrek in het bestreden besluit 2 te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit 2 van 18 oktober 2010 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.M. Overbeeke en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

IJ