Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
10-4471 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om uitstroompremie omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarde dat hij minimaal zes maanden een WWB-uitkering dient te hebben ontvangen. Op 29 januari 2009 zijn de beleidsregels premieverstrekking in werking getreden en op 12 februari 2009 heeft appellant de aanvraag om uitstroompremie ingediend. Dat betekent dat op de aanvraag de beleidsregels premieverstrekking en de daarin neergelegde voorwaarden van toepassing waren en dat appellant niet voor uitstroompremie in aanmerking kwam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4471 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 juli 2010, 09/1269 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

Datum uitspraak 18 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Franken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dassen-Franken. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F. Dekker.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 20 december 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 4 juli 2008 heeft het college de bijstand met ingang van 12 mei 2008 beëindigd vanwege werkaanvaarding van appellant bij WerkInvent. In dat besluit heeft het college tevens vermeld dat appellant op het moment dat hij uitstroomt naar werk en minimaal negen maanden geen gebruik maakt van een bijstandsuitkering, een aanvraag om uitstroompremie kan doen. Een aanvraagformulier is bijgevoegd. Appellant heeft op 12 februari 2009 een aanvraag om uitstroompremie ingediend.

1.2. Bij besluit van 24 maart 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 mei 2009 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om uitstroompremie van appellant afgewezen. Het college heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat appellant niet voldoet aan de voorwaarde dat hij minimaal zes maanden een WWB-uitkering dient te hebben ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het college heeft ter motivering van de afwijzing van de aanvraag om uitstroompremie verwezen naar het Premiebeleid dat is vastgesteld op 11 december 2007, dat op 9 januari 2008 is gepubliceerd en dat van toepassing is op aanvragen om uitstroompremie die na 9 januari 2008 zijn ingediend. In dit beleid is echter niet opgenomen de voorwaarde dat appellant minimaal zes maanden een WWB-uitkering dient te hebben ontvangen om voor uitstroompremie in aanmerking te komen. Ter zitting van de Raad heeft het college toegelicht dat deze voorwaarde wel steeds werd gesteld. Dit betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad zal vervolgens beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

3.2. Op 29 januari 2009 zijn de beleidsregels premieverstrekking in werking getreden. Op grond van deze beleidsregels bestaat, voor zover van belang, recht op een uitstroompremie van € 2.000,--, indien de betrokkene minimaal zes maanden een WWB-uitkering heeft ontvangen en sprake is van volledige uitkeringsonafhankelijkheid gedurende ten minste negen aaneengesloten maanden. In de WWB kan geen grondslag worden gevonden voor dit beleid. Evenmin is dit beleid gebaseerd op bepalingen van een verordening als bedoeld in artikel 8 van de WWB. Daarom moet het worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betekent dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.

3.3. De afwijzing van de aanvraag om een uitstroompremie is in overeenstemming met dit beleid. Niet valt in te zien dat de in het beleid gestelde voorwaarde dat de betrokkene minimaal zes maanden een WWB-uitkering moet hebben ontvangen niet ziet op een aaneengesloten periode van zes maanden, zoals appellant betoogt.

3.4. Appellant heeft aangevoerd dat hij op grond van de inhoud van het besluit van 4 juli 2008 en het bijgevoegde aanvraagformulier erop heeft vertrouwd dat zijn aanvraag om uitstroompremie zou worden toegekend. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel treft geen doel. Niet is gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van het college waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. Ook kan niet worden gezegd dat appellant in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag reeds aanspraak heeft gemaakt op uitstroompremie op grond van het Premiebeleid. Op 29 januari 2009 zijn de beleidsregels premieverstrekking in werking getreden en op 12 februari 2009 heeft appellant de aanvraag om uitstroompremie ingediend. Dat betekent dat op de aanvraag de beleidsregels premieverstrekking en de daarin neergelegde voorwaarden van toepassing waren en dat appellant niet voor uitstroompremie in aanmerking kwam.

3.5. Het vorenstaande betekent dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

4. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 mei 2009;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.518,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R. Scheffer

TM