Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
12-2040 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstand. Gezamenlijke huishouding. De verzamelde onderzoeksgegevens bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant en [K.] in de periode van 7 oktober 2010 tot 7 januari 2011 beiden hun hoofdverblijf in de woning van [K.] hebben gehad en dat ook aan het criterium van wederzijdse zorg werd voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2040 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 4 april 2012, 11/1359 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Beesel (college)

Datum uitspraak 18 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken 12/5382 WWB en 12/5400 WWB, plaatsgevonden op 27 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verstraten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.E.B. Mensink. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst. Heden wordt in deze zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 7 oktober 2010 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de

Wet werk en bijstand (WWB). Bij die aanvraag heeft hij opgegeven woonachtig te zijn op het adres [adres 1] te [naam gemeente].

1.2. I.W.G. [K.] ([K.]) heeft in het kader van een door haar ingediende aanvraag om bijzondere bijstand een huurovereenkomst overgelegd voor de woning aan de [adres 2] te [naam gemeente], waarop appellant als medehuurder staat vermeld en die mede door appellant is ondertekend. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de feitelijke woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader is dossieronderzoek verricht, hebben waarnemingen plaatsgevonden, hebben getuigen verklaringen afgelegd en is op 16 november 2010 een huisbezoek afgelegd, waarbij appellant is verhoord.

1.3. Van de bevindingen van het onderzoek heeft de sociale recherche op 7 december 2010 een proces-verbaal opgemaakt. Daarin is geconcludeerd dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [K.] op het adres [adres 2] te [naam gemeente].

1.4. Bij besluit van 4 april 2011 heeft het college aan appellant met ingang van 7 januari 2011 bijstand op grond van de WWB toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Hierbij is meegedeeld dat de aanvraag wordt afgewezen over de periode van 7 oktober 2010 tot 7 januari 2011, omdat appellant over die periode niet kan worden aangemerkt als alleenstaande.

1.5. Bij besluit van 26 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In geschil is de vraag of het college terecht heeft aangenomen dat appellant in de hier te beoordelen periode van 7 oktober 2010 tot 7 januari 2011 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [K.].

4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de huishouding dan wel anderszins.

4.3.1. Wat betreft het gezamenlijk hoofdverblijf heeft de rechtbank terecht belang gehecht aan de onder 1.2 genoemde huurovereenkomst. Deze huurovereenkomst is met ingang van 14 september 2010 aangegaan voor onbepaalde tijd. Met de rechtbank moet worden geconcludeerd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn naam uitsluitend in deze huurovereenkomst is opgenomen om sneller voor een andere woning in aanmerking te komen.

4.3.2. De sociale recherche heeft op 16 november 2010 de bewoner van de [adres 3] te [naam gemeente], [getuige 1], als getuige gehoord. [getuige 1] heeft verklaard: “Ik woon al 40 jaar op dit adres. U vraagt naar de bewoners van nr. 37. Daar wonen voor zover ik weet een man en een vrouw. Ik ken deze mensen niet. Ik weet niet beter dan dat de man daar ook woont. De meeste tijd van de week is de man hier”. De verklaring van [getuige 1] wordt ondersteund door de gedane waarnemingen in de periode van 17 november 2010 tot en met 7 december 2010, die in dit verband als aanvullend bewijs dienen te worden gezien, en waaruit het beeld oprijst dat appellant vrijwel dagelijks bij [K.] verbleef.

4.3.3. Op 16 november 2010 is een huisbezoek afgelegd aan de woning van appellant op het adres [adres 1]. De algemene indruk die daarbij werd verkregen, was dat de woning niet werd bewoond. In de slaapkamer stond een tweepersoonsbed met alleen een matras daarop, zonder beddengoed. Verder is vastgesteld dat het koud was in de woning en dat er niet werd gestookt. Ter zitting heeft appellant hierover verklaard dat de energievoorziening in zijn woning al vanaf de zomer was afgesloten en dat hij een slaapplaats had gemaakt in het zakelijk gedeelte aan de achterzijde van de woning, waar de energievoorziening naar zijn zeggen pas later, na zijn vertrek, is afgesloten. Deze ter zitting gegeven verklaring is in tegenspraak met hetgeen appellant tijdens het huisbezoek op 16 november 2010 heeft verklaard. Volgens die verklaring zou appellant namelijk in het woongedeelte overnachten. Ook gelet op het feit dat appellant, zoals hij ter zitting heeft verklaard, in november 2010 is begonnen met het overbrengen van zijn inboedel naar de woning van [K.], is het niet aannemelijk dat appellant pas vanaf 7 januari 2011 feitelijk zijn intrek heeft genomen in de woning van [K.].

4.3.4. Uit de stukken blijkt voorts dat de sociale recherche op 18 november 2010 bij mevrouw [getuige 2] ([adres 4]) navraag heeft gedaan of er nog mensen naast haar op nr. 119 woonden. Zij gaf toen aan dat het stel was vertrokken en dat appellant nog wel regelmatig langs kwam en dat er dan spullen werden ingeladen.

4.3.5. Gezien wat onder 4.3.1 tot en met 4.3.4 is overwogen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de verzamelde onderzoeksgegevens, bezien in hun onderlinge verband, een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant en [K.] in de periode van 7 oktober 2010 tot 7 januari 2011 beiden hun hoofdverblijf in de woning van [K.] hebben gehad.

4.4.1. Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg in een concreet geval is voldaan.

4.4.2. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat in de periode van 7 oktober 2010 tot 7 januari 2011 ook aan het criterium van wederzijdse zorg werd voldaan. Daarbij is wat appellant tijdens het huisbezoek op 16 november 2010 ten overstaan van de sociale recherche heeft verklaard van doorslaggevende betekenis. Uit die verklaring blijkt onder meer dat [K.] hem heeft geholpen met financiële transacties en dat hij [K.] heeft geholpen door onder meer betalingen aan Essent voor te schieten, dat hij vaak bij [K.] eet en van haar auto gebruik maakt en dat hij [K.] helpt omdat zij hulpbehoevend is. Verder is van belang dat [K.] op 19 november 2010 heeft meegedeeld dat er kosten met appellant worden gedeeld omdat zij die niet alleen kan opbrengen.

4.5. Het voorgaande voert tot de conclusie dat de rechtbank terecht, in navolging van het college, heeft geoordeeld dat appellant en [K.] van 7 oktober 2010 tot 7 januari 2011 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Dat de gezamenlijke huishouding slechts van relatief korte duur is geweest, leidt niet tot een ander oordeel. Het betoog van appellant dat sprake was van een periode met een zekere overlap, waarin appellant bezig was met verhuizen van het adres [adres 1] naar het adres [adres 2] en waarin [K.] bezig was met verhuizen van de [adres 2] naar de [adres 5] te [naam gemeente], leidt, wat daarvan zij, in het licht van het voorgaande evenmin tot een andere slotsom.

4.6. Anders dan appellant heeft betoogd is er geen grond voor het oordeel dat het college de processen-verbaal van de verhoren van appellant en de getuigen niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Appellant heeft niet bestreden dat de handgeschreven verklaring van 16 november 2010 door de opsteller, sociaal rechercheur P. van Beek, aan hem is voorgelezen en dat appellant vervolgens heeft volhard in zijn verklaring. Appellant heeft ook geen objectieve en verifieerbare gegevens naar voren gebracht op grond waarvan moet worden aangenomen dat wat hij heeft verklaard niet juist kan zijn. Dat zijn verklaring niet is ondertekend doet niet af aan de bewijskracht ervan. Van de aan het proces-verbaal van de sociale recherche ten grondslag gelegde handgeschreven en door [getuige 1] ondertekende verklaring heeft het college in hoger beroep een afschrift overgelegd. In het rapport van 7 december 2010 is de inhoud van de verklaring van de naaste buurvrouw van appellant, mevrouw [getuige 2], wonende op het adres [adres 4], voldoende duidelijk weergegeven.

4.7. Uit 4.3.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M. Sahin

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

TM