Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6536

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
11-489 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar is terecht door het college niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 13 juli 2010 heeft het college aan appellant meegedeeld dat hem op grond van de toepasselijke wetgeving niet is toegestaan langer dan vier weken met behoud van uitkering in het buitenland te verblijven. De brief van 13 juli 2010 is niet zelfstandig op rechtsgevolg gericht. Rechtsgevolgen die zich door het verblijf in het buitenland kunnen voordoen, zoals beëindiging, herziening van of verlaging van de bijstand, kunnen pas intreden nadat door het bestuursorgaan daarover een nadere afweging heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/489 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 december 2010, 10/4575 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 18 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2012. Voor appellant is mr. Willering verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving ten tijde van belang bijstand naar de norm voor een gehuwde op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft op 7 juni 2010 op een formulier “Vakantie in Nederland/Verblijf in het buitenland” aan het college meegedeeld gedurende de periode van 1 juli 2010 tot en met 25 augustus 2010 naar het buitenland te gaan. Bij brief van 13 juli 2010 heeft het college aan appellant meegedeeld dat hem op grond van de toepasselijke wetgeving niet is toegestaan langer dan vier weken met behoud van uitkering in het buitenland te verblijven. Dit betekent dat appellant tot en met 28 juli 2010 met behoud van uitkering naar het buitenland mag gaan. Appellant heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 11 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 13 juli 2010 niet is gericht op zelfstandig rechtsgevolg, zodat deze brief niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb bezwaar mogelijk is.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat het onredelijk hard zou zijn om de bijstand te stoppen gedurende de tijd dat hij langer dan vier weken op vakantie is. Hij zit weliswaar in een traject met een dagdeel aan sport, maar hij is 64 jaar, heeft bijna geen kans meer op een baan en is al vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Tevens zouden zijn vrouw en kind, indien appellant langer dan vier weken in het buitenland verblijft, in aanmerking moeten komen voor een alleenstaande ouderuitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer CRvB 24 januari 2012, LJN BV1867) is de brief van 13 juli 2010 niet zelfstandig op rechtsgevolg gericht. Rechtsgevolgen die zich door het verblijf in het buitenland kunnen voordoen, zoals beëindiging, herziening van of verlaging van de bijstand, kunnen pas intreden nadat door het bestuursorgaan daarover een nadere afweging heeft plaatsgevonden. Dit gebeurt pas indien duidelijk is dat betrokkene is vertrokken, hoe lang hij feitelijk in het buitenland heeft verbleven en of daarbij de maximale geldende vakantieduur is overschreden of verplichtingen zijn geschonden. Overigens heeft de gemachtigde van appellant ter zitting te kennen gegeven niet te weten of appellant langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven en zo ja, of dat verblijf gevolgen heeft gehad voor de bijstandsverlening aan appellant.

4.2. Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) P.J.M. Crombach

IJ