Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
11-4328 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Gelet op het feit dat niet is gebleken dat het Uwv bij het opleggen van de loonsanctie toepassing heeft gegeven aan artikel 629, elfde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het BW stond niet vast tot wanneer voormeld tijdvak van 104 weken na 22 juni 2009 was verlengd. Dit in aanmerking genomen, kon op 10 september 2009 geen besluit tot het opleggen van een loonsanctie - overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, elfde lid van de Wet WIA - meer worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4328 WIA (gerectificeerde uitspraak)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

9 juni 2011, 10/712 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 12 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.G. Vlaskamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2012. Namens appellante is mr. Vlaskamp verschenen, vergezeld van C. Enkelaar werkzaam als HR-adviseur bij appellante. Het Uwv heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 10 september 2009 heeft het Uwv het tijdvak waarin werknemer [werknemer] jegens appellante als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd tot 21 juni 2010. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd omdat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, terwijl daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van die wet.

1.2. Appellante heeft tegen het besluit van 10 september 2009 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige M.B. Ooms van 4 februari 2010, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de werknemer per einde wachttijd op 22 juni 2009 nog steeds ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid en dat daarom de wettelijke re-integratieverplichtingen voor appellante nog van toepassing waren. Het besluit tot verlenging van de loondoorbetalingsverplichting wegens het zonder deugdelijke grond verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen is volgens de rechtbank door het Uwv tijdig genomen omdat de wachttijd van 104 weken is verlengd wegens het niet tijdig indienen van de aanvraag om een WIA-uitkering. Volgens de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat noch op 4 september 2009 (de datum van het arbeidskundig onderzoek), noch op 22 juni 2009 (het einde van de oorspronkelijke wachttijd) sprake was van een bevredigend re-integratieresultaat en dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende

re-integratie-inspanningen heeft verricht.

3.1. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat haar geen mededeling is gedaan dat de wachttijd met toepassing van artikel 629, elfde lid, aanhef en onder a, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is verlengd zodat het besluit tot verlenging van de loondoorbetalingsverplichting niet tijdig is genomen. Appellante heeft verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade als gevolg van het feit dat de loondoorbetaling aan werknemer vanaf 22 juni 2009 ten onrechte heeft plaatsgevonden.

3.2. Het Uwv stelt in het verweerschrift dat de door appellante aangevoerde gronden geen reden vormen het eerder ingenomen standpunt te wijzigen en verzoekt om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de oorspronkelijke wachttijd van 104 weken, na de uitval van werknemer op 26 juni 2007, is geëindigd op 22 juni 2009. Voorts staat vast dat de aanvraag van de werknemer om een WIA-uitkering niet uiterlijk 13 weken voor het einde van de wachttijd is ingediend. Nu de aanvraag eerst is ingediend op 3 juli 2009 en gecompleteerd op 19 augustus 2009 volgt uit artikel 629, elfde lid, aanhef en onder a, van boek 7 van het BW dat voormeld tijdvak van 104 weken wordt verlengd. In dit verband bepaalt artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA - voor zover hier van belang - dat, indien toepassing is gegeven aan artikel 629, elfde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het BW, verlenging van het tijdvak van de loondoorbetalingsverplichting niet plaatsvindt indien het Uwv de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid niet geeft voor afloop van het verlengde tijdvak. Uit de voorhanden gegevens blijkt niet dat het Uwv aan voormelde bepaling van het BW bij de besluitvorming tot het opleggen van de loonsanctie toepassing heeft gegeven hetgeen zich niet verdraagt met artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA.

4.2. Gelet op het feit dat niet is gebleken dat het Uwv bij het opleggen van de loonsanctie toepassing heeft gegeven aan voormelde bepaling van het BW stond niet vast tot wanneer voormeld tijdvak van 104 weken na 22 juni 2009 was verlengd. Dit in aanmerking genomen, kon op 10 september 2009 geen besluit tot het opleggen van een loonsanctie

- overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, elfde lid van de Wet WIA - meer worden genomen.

4.3. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd en dat het besluit van 10 september 2009 dient te worden herroepen.

4.4. Met betrekking tot het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade is de Raad op grond van de thans beschikbare gegevens niet in staat te bepalen of, en zo ja, in welke omvang en sedert wanneer appellante schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. In verband hiermee zal de Raad met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak hierover wordt heropend en appellante in de gelegenheid stellen zich met een gespecificeerde opgave van de door haar gelden schade te wenden tot de Raad.

5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.748,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 10 september 2009;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een

bedrag van € 1.748,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 752,-.vergoedt;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nr. 12/6222 WIA ter voorbereiding van

een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding door appellante.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker