Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6414

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
11-4929 ZVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling buitenlandbijdrage Zvw. De op appellants pensioen in mindering gebrachte inhouding ten titel van “inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage” is geen AWBZ-premie, aangezien voor het heffen van een dergelijke premie in zijn situatie geen wettelijke grondslag bestaat, maar de in artikel 69 van de Zvw bedoelde buitenlandbijdrage die hij verschuldigd is voor de ten laste van Nederland komende kosten van de medische zorg waarop hij overeenkomstig Vo. 1408/71 en het recht van Italië recht heeft in zijn woonland. Dit deel van de bijdrage betreft een pseudo-AWBZ-premie en kan niet op één lijn worden gesteld met de AWBZ-premie. De op 1 mei 2010 in werking getreden Verordening (EG) nr. 883/2004 maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4929 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2011, 08/2843 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

College voor zorgverzekeringen (Cvz)

Datum uitspraak: 17 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2012. Appellant is niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant woont sinds januari 1995 in Italië. Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2. Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening EG nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) recht op zorg in het woonland (Italië), ten laste van Nederland.Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage). De hoogte van de bijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde uitgaven voor zorg per verzekerde in Nederland (de woonlandfactor). Appellant heeft zich met ingang van 1 januari 2006 met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat hij in Italië is ingeschreven en dat de kosten van medische zorg ten laste van Nederland komen.

1.3. Bij primair besluit van 22 maart 2010 heeft Cvz aan appellant de definitieve jaarafrekening over 2007 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage is vastgesteld op

€ 2.448,03.

1.4. Bij besluit van 25 mei 2010 (bestreden besluit) heeft Cvz het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft onder meer betoogd dat hij met de buitenlandbijdrage premie betaalt voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), terwijl hij daarvoor tot 1 mei 2010 niet verzekerd was. In verband met de invoering van de Europese Health Insurance Card (EHIC) per 1 mei 2010 is hij pas vanaf die datum verzekerd op grond van de AWBZ.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met ingang van 1 januari 2006 is de Zvw in werking getreden. Vanaf die datum hebben personen als appellant, indien geen sprake is van een prevalerend recht, op grond van Vo. 1408/71 recht op zorg in hun woonland, ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg zijn zij ingevolge artikel 69 van de Zvw een buitenlandbijdrage verschuldigd. Voor een weergave van de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 augustus 2009, LJN BJ5891 en naar het arrest van het Hof van 14 oktober 2010, Van Delft e.a. (C-345/09), LJN BO1908.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht treft geen doel. De Raad verwerpt het standpunt van appellant dat op zijn pensioen AWBZ-premie wordt ingehouden, waar geen recht op AWBZ-zorg tegenover staat. De Raad is van oordeel dat de op zijn pensioen in mindering gebrachte inhouding ten titel van “inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage” geen AWBZ-premie is, aangezien voor het heffen van een dergelijke premie in zijn situatie geen wettelijke grondslag bestaat, maar de in artikel 69 van de Zvw bedoelde buitenlandbijdrage die hij verschuldigd is voor de ten laste van Nederland komende kosten van de medische zorg waarop hij overeenkomstig Vo. 1408/71 en het recht van Italië recht heeft in zijn woonland. De Raad overweegt daartoe dat in artikel 6.3.1, tweede lid, van de Regeling zorgverzekering (de Regeling) onder meer is bepaald dat de inkomensafhankelijke bijdrage, een van de componenten van de buitenlandbijdrage, wordt berekend overeenkomstig de premie voor de AWBZ. Verder volgt ook uitdrukkelijk uit de toelichting op de Regeling (Stcrt. 19 december 2006, nr. 247, p.3) dat dit deel van de bijdrage een pseudo-AWBZ-premie betreft en niet op één lijn kan worden gesteld met de AWBZ-premie. Dit betekent dat de inhouding op het pensioen van appellant ook niet op één lijn kan worden gesteld met de premie AWBZ.

4.3. De op 1 mei 2010 in werking getreden Verordening (EG) nr. 883/2004 maakt dit niet anders. Uit enkel het gegeven dat appellant met ingang van 1 mei 2010 ook zonder toestemming van het orgaan van het woonland (AWBZ-)zorg kan inroepen kan niet, zoals appellant veronderstelt, worden afgeleid dat in de tot die datum verschuldigde buitenlandbijdrage een component was opgenomen voor vormen van AWBZ-zorg waarop appellant in Italië geen aanspraak had.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2012.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) M.R. Schuurman