Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
11-3244 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functietoewijzing. Omvang geding. De functietoewijzing is in overeenstemming met het advies van de Officier bedrijfsmaatschappelijk werker die met inachtneming van de privésituatie van appellant plaatsing bij de Prinses Margrietkazerne haalbaar voor hem acht, zolang daarbij rekening wordt gehouden met het woon-werkverkeertijdstip en als de locatie van de civiele huisartsenverplichting in [C.] kan blijven gehandhaafd. De commandant heeft in redelijkheid kunnen afwijken van de termijn van twee maanden genoemd in artikel 24 van het AMAR. Geen aanknopingspunten die erop duiden dat aan de in geding zijnde functietoewijzing oneigenlijke motieven ten grondslag liggen zoals animositeit of pestgedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3244 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 april 2011, 10/8350 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Commandant Landstrijdkrachten (commandant)

Datum uitspraak: 13 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2012. Appellant is verschenen. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, aangesteld in de rang van luitenant-kolonel bij het Ministerie van Defensie, was achtereenvolgens van 1 augustus 2000 tot 1 augustus 2005 en van 2 augustus 2005 tot 1 augustus 2010 als arts geplaatst bij het gezondheidscentrum van de [kazerne]. Naast zijn werkzaamheden op de kazerne was appellant in het kader van zijn civiele huisartsenverplichting tevens één dag per week werkzaam als huisarts in [C.].

1.2. In het voorjaar van 2010 heeft appellant gesolliciteerd naar zijn eigen functie en naar de functie van huisarts met de rang van majoor, bij het gezondheidscentrum van de [kazerne]. Appellant is afgewezen voor die functies. De bezwaren van appellant tegen die afwijzingen zijn ongegrond verklaard en appellant heeft daarin berust.

1.3. Bij besluit van 11 mei 2010 is aan appellant met ingang van 7 juni 2010 de functie C-GZHCEN/ARTS, rang luitenant-kolonel, bij het gezondheidscentrum Prinses Margrietkazerne te Wezep toegewezen. Bij besluit van 15 oktober 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen die functietoewijzing ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de commandant voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van appellant, afgezet tegen het organisatiebelang dat vervulling van de vacature van arts bij de Prinses Margrietkazerne in Wezep vorderde.

3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat sprake is geweest van pestgedrag en machtsmisbruik door de plaatsingsofficier om hem niet te plaatsen bij de [kazerne] in Havelte, maar in Wezep, met als gevolg dat hij een langere reisafstand voor woon-werkverkeer heeft. In verband met zijn aandeel in de zorg voor zijn drie kinderen die allen een stoornis hebben in het autistisch spectrum, is het voor appellant van groot belang dat de reisduur van woon-werkverkeer zo kort mogelijk is, zodat de routine thuis niet wordt verstoord. De commandant heeft zich volgens appellant niet aan de regelgeving en het beleid gehouden, waaronder de termijn van zes maanden die in acht moet worden genomen bij toewijzing van een nieuwe functie en voorts is hij voor de einddatum van zijn oude functie, te weten 1 augustus 2010, al in die nieuwe functie geplaatst. Appellant heeft gesteld dat zowel hijzelf als Defensie schade hebben geleden door hem niet meer te plaatsen bij de [kazerne].

De commandant kan zich verenigen met de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat tegen de afwijzingen van appellant voor de functies huisarts en arts in Havelte geen rechtsmiddelen meer openstaan en dat dat betekent dat alleen de functietoewijzing van arts bij de Prinses Margrietkazerne in Wezep in geding is.

4.2. In artikel 24 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) is bepaald dat de commandant de betrokken militair indien mogelijk zes maanden, doch in ieder geval - tenzij het dienstbelang naar zijn oordeel noodzaakt tot afwijking - twee maanden voor de vermoedelijke datum van ingang van functievervulling in kennis stelt van het voornemen tot functietoewijzing.

4.3. De commandant heeft zich op het standpunt gesteld dat er een urgent organisatiebelang was om appellant op korte termijn te plaatsen bij de Prinses Margrietkazerne in Wezep. De commandant heeft toegelicht dat de functie van huisarts bij de Prinses Margrietkazerne per 1 oktober 2009 formeel vacant was en feitelijk al langer niet meer werd vervuld. Vanaf december 2009 is de functie tijdelijk waargenomen. In april 2010 is de mogelijke plaatsing in Wezep met appellant besproken. Omdat de inzet van de waarnemend arts noodzakelijk was bij de kazerne waar hij formeel was geplaatst, is besloten om appellant op korte termijn te plaatsen bij de Prinses Margrietkazerne in Wezep. Die functietoewijzing is ook in overeenstemming met het advies van de Officier bedrijfsmaatschappelijk werker die met inachtneming van de privésituatie van appellant plaatsing bij de Prinses Margrietkazerne haalbaar voor hem acht, zolang daarbij rekening wordt gehouden met het woon-werkverkeertijdstip en als de locatie van de civiele huisartsenverplichting in [C.] kan blijven gehandhaafd. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de commandant in redelijkheid heeft kunnen afwijken van de termijn van twee maanden genoemd in artikel 24 van het AMAR.

4.4. Voorts bieden de gedingstukken geen aanknopingspunten die erop duiden dat aan de in geding zijnde functietoewijzing oneigenlijke motieven ten grondslag liggen zoals animositeit of pestgedrag. Appellant heeft als voorbeelden genoemd dat de plaatsingsofficier herhaaldelijk niet met hem in gesprek wilde gaan en dat een collega die ook in Wezep is geplaatst, niet werd bevorderd. Voor zover daarvan al sprake is geweest, kan de Raad daaruit niet afleiden dat de functietoewijzing van appellant niet op goede gronden berust. Bedacht dient te worden dat de vacatures in Havelte waren vervuld en dat de functie aan appellant is toegewezen rekening houdend met het advies van de Officier bedrijfsmaatschappelijk werker.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op goede gronden berust. Dat betekent dat er geen grond is voor vergoeding van de schade die door appellant is gesteld.

5. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en K.J. Kraan en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2012.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) J.T.P. Pot