Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6393

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
11-7003 ZVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling buitenlandbijdrage ZVW. Het Uwv heeft geen buitenlandbijdrage op de uitkering van appellant in mindering heeft gebracht. De door Cvz vastgestelde hoogte van de buitenlandbijdrage is niet bestreden. Dat appellant uit de correspondentie met Cvz en het Uwv de conclusie heeft getrokken dat hij vrij was in de keuze voor het sluiten van een ziektekostenverzekering moet voor zijn eigen risico komen. Bij de toepassing van de woonlandfactor is geen sprake van een overduidelijke onevenredigheid bij de ongelijke behandeling van bijdrageplichtigen, zoals appellant, en in Nederland woonachtige premieplichtigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7003 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2011, 11/837 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

Datum uitspraak: 17 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2012. Appellant is niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant woont sinds maart 2007 in Ierland. Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

1.2. Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening EG nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) recht op zorg in het woonland (Ierland), ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage). De hoogte van de bijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde uitgaven voor zorg per verzekerde in Nederland (de woonlandfactor).

1.3. Bij besluit van 22 maart 2010 heeft Cvz aan appellant de definitieve jaarafrekening over 2007 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage is vastgesteld op een bedrag van € 2.034,49.

1.4. Bij besluit van 30 december 2010 (bestreden besluit) heeft Cvz het bezwaar van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij vindt het onterecht dat hij pas na drie jaar wordt geconfronteerd met een rekening van de buitenlandbijdrage. Appellant vraagt zich af waarom de premies niet direct werden ingehouden. Voor zijn vertrek naar Ierland heeft hij zowel met Cvz als met het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) gecorrespondeerd. Uit die correspondentie heeft hij afgeleid dat hij vrij was in de keuze voor een vorm van ziektekostenverzekering. Appellant heeft er voor gekozen een particuliere ziektekostenverzekering af te sluiten om zeker te zijn van tijdig te verkrijgen en kwalitatief verantwoorde zorg. Door achteraf de rekening te krijgen voor een zorgverzekering, waarvan hij bovendien geen gebruik heeft gemaakt, is hij in financiële problemen geraakt. Hij wil om die reden een betalingsregeling treffen. Tot slot heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de woonlandfactor niet correspondeert met de kwaliteit van het geboden zorgpakket.

4.De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vast staat dat het Uwv geen buitenlandbijdrage op de uitkering van appellant in mindering heeft gebracht. De door Cvz vastgestelde hoogte van de buitenlandbijdrage is niet bestreden.

4.2. Uit de tot de gedingstukken behorende correspondentie van appellant met Cvz en het Uwv is niet gebleken dat appellant onjuist is voorgelicht over het voor hem na emigratie naar Ierland geldende zorgverzekeringsstelsel en de verschuldigde buitenlandbijdrage. Dat appellant uit deze correspondentie de conclusie heeft getrokken dat hij vrij was in de keuze voor het sluiten van een ziektekostenverzekering moet voor zijn eigen risico komen. Ook het gegeven dat het Uwv de buitenlandbijdrage niet op de uitkering in mindering heeft gebracht leidt niet tot het oordeel dat Cvz niet tot vaststelling van de buitenlandbijdrage kon overgaan. Juist gelet op correspondentie voorafgaand aan de emigratie had het op de weg van appellant gelegen om bij het Uwv te informeren of terecht geen inhouding plaatsvond.

4.3. Ter voorlichting van appellant wijst de Raad nog op het volgende. De hoogte van de totale buitenlandbijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland. Dit is de zogenoemde woonlandfactor. De regeling daarvan is neergelegd in artikel 6.3.1 van de Regeling. Met deze woonlandfactor wordt tot uitdrukking gebracht in welke mate de in het woonlandpakket opgenomen zorg zich verhoudt tot de in het Nederlandse pakket (Zvw en Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) opgenomen zorg. De Raad heeft eerder in zijn uitspraak van 26 augustus 2009 (LJN BJ6362) overwogen dat bij de toepassing van de woonlandfactor geen sprake is van een overduidelijke onevenredigheid bij de ongelijke behandeling van bijdrageplichtigen, zoals appellant, en in Nederland woonachtige premieplichtigen. De Raad heeft in deze uitspraak voorts geoordeeld dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel en evenmin met het verbod van willekeur.

4.4. Het beroep van appellant op een met Cvz te treffen betalingsregeling maakt geen deel van het in hoger beroep te beslissen geschil. Ter voorlichting van appellant wijst de Raad er op dat hij zich daarvoor tot Cvz moet wenden.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2012.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) M.R. Schuurman