Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6383

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
11-2853 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Appellantes claim dat zij beperkingen ondervindt ten gevolge van oog-, maag- en darmklachten vindt onvoldoende steun in de (medische) gegevens. Het arbeidskundig rapport biedt een overtuigende grondslag voor het oordeel dat de functies voor appellante in medisch opzicht passend zijn en dat de bij die functies verschenen signaleringen geen ontoelaatbare overschrijding van appellantes belastbaarheid betekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2853 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2010, 09/2666 (aangevallen tussenuitspraak) en tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2011, 09/2666 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Broens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van een verzekeringsgeneeskundig rapport.

Partijen hebben nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2012. Appellante heeft zich laten bijstaan door mr. Broens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 2 december 2008 heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar de klasse 80 tot 100%, met ingang van 2 februari 2009 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid op deze datum minder was dan 15%.

1.2. Bij besluit van 6 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op appellantes bezwaar, zijn besluit van 2 december 2008 gehandhaafd.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen tussenuitspraak geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk was gemotiveerd. Daartoe heeft de rechtbank gewezen op het door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven rapport van de zogenoemde primaire arts, waarin is geconcludeerd dat appellantes functionele mogelijkheden, neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 augustus 2008, gelijk zijn aan die in 2001, welke zijn neergelegd in het FIS-formulier van 28 mei 2001. De rechtbank heeft evenwel vastgesteld dat een beperking in de FML ten aanzien van lawaai ontbreekt, terwijl niet is gemotiveerd waarom deze beperking niet is overgenomen van het FIS-formulier. Wat betreft de stelling van appellante dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de oog-, maag- en darmklachten, heeft de rechtbank overwogen dat zij voor de juistheid van die stelling onvoldoende (medische) aanknopingspunten in het dossier heeft aangetroffen.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen einduitspraak het beroep van appellante gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. De rechtbank heeft overwogen dat het verzekeringsgeneeskundige rapport van 19 augustus 2010 een voldoende onderbouwing biedt voor het niet opnemen van een beperking op lawaai in de FML van 29 augustus 2008. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat zij geen aanleiding heeft gezien voor twijfel aan de medische geschiktheid van de aan appellante voorgehouden functies.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak gekeerd. Het Uwv heeft volgens haar ten onrechte geen beperkingen aangenomen ten gevolge van de bij appellante bestaande oor-, visus, maag- en darmproblematiek. De passendheid van de functies is door appellante ook gemotiveerd bestreden. Appellante heeft ten slotte verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente alsmede wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel

6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat appellantes claim dat zij beperkingen ondervindt ten gevolge van oog-, maag- en darmklachten onvoldoende steun vindt in de voorhanden zijnde (medische) gegevens.

4.2.1. In de in hoger beroep overgelegde brief van de optoloog uit 2004 zijn geen aanwijzingen gelegen voor het oordeel dat appellante per 2 februari 2009, de datum die in dit geding van belang is, beperkt is als gevolg van visusproblematiek. In dit verband wordt verwezen naar het verzekeringsgeneeskundige rapport van 22 juni 2011. Dat appellante in november 2012 voorts door een oogarts nader zal worden onderzocht, maakt het voorgaande niet anders. Hierbij is mede in ogenschouw genomen dat ter zitting is verklaard dat dit onderzoek is geïnitieerd vanwege het feit dat appellante nu ook strepen ziet. Uit het dossier is niet gebleken dat hiervan reeds op de datum in geding sprake was. Er bestaat dan ook geen aanleiding om (de resultaten naar aanleiding van) het onderzoek van de oogarts af te wachten.

4.2.2. Voor zover appellante heeft betoogd dat een medisch objectiveerbare oorzaak niet noodzakelijk is voor het aannemen van beperkingen, wordt gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld zijn uitspraak van 10 september 2011, LJN BT8675, waaruit volgt dat in dergelijke gevallen de minimumeis geldt dat bij (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat over het bestaan van beperkingen. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.

4.3. Met betrekking tot de maag- en darmklachten heeft de rechtbank eveneens met juistheid overwogen dat niet met medische informatie is onderbouwd dat appellante als gevolg daarvan beperkingen ondervindt voor het verrichten van arbeid.

4.4. In hoger beroep heeft appellante gewezen op het ingebrachte verzekeringsgeneeskundige rapport van 17 januari 2012, dat is opgesteld naar aanleiding van een beoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en waaruit blijkt dat appellante is aangewezen op een werkplek in de nabijheid van een toilet. Nu in dit rapport, los van het gegeven dat hierin de gezondheidssituatie van appellante per 4 januari 2012 is beoordeeld, niet is gemotiveerd waarom de aanwezigheid van een toilet in de nabijheid van de werkplek noodzakelijk wordt geacht, is er geen aanleiding om, bij afwezigheid van overige medische informatie ter ondersteuning van appellantes stelling, het oordeel van de verzekeringsartsen op dit punt onjuist te achten. Aan het enkele gegeven dat bij appellante reeds in 2000 een chronische motiliteitsstoornis is vastgesteld, kan ten slotte niet worden afgeleid of deze op de datum in geding nog actief was en of daaruit destijds beperkingen voor het verrichten van arbeid voortvloeiden.

4.5. Wat betreft de oorklachten heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat in het verzekeringsgeneeskundig rapport van 19 augustus 2010 genoegzaam is gemotiveerd waarom appellante niet langer voor lawaai beperkt is geacht.

5.1. Voor zover appellante de aan de schatting ten grondslag gelegde functies heeft bestreden, biedt het arbeidskundig rapport van 29 april 2009 een overtuigende grondslag voor het oordeel dat die functies voor appellante in medisch opzicht passend zijn en dat de bij die functies verschenen signaleringen geen ontoelaatbare overschrijding van appellantes belastbaarheid betekenen.

5.2. Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 5.1 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraken dienen, voor zover aangevochten, te worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding dient, voor wat betreft de wettelijke rente, te worden afgewezen.

5.3. Appellante heeft daarnaast verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, dient te worden vastgesteld dat, uitgaande van de ontvangst van het bezwaarschrift van appellante op 12 januari 2009, de redelijke termijn voor deze procedure in drie instanties

- welke termijn in beginsel vier jaar bedraagt voor de procedure in haar geheel - niet is overschreden. Voor het hanteren van een kortere termijn bestaat in dit geval geen aanleiding.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen tussenuitspraak;

- bevestigt de aangevallen einduitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.C. Bruning en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) D. Heeremans