Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6374

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
11-952 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling. Het bestuursorgaan is aan de betrokkene tegemoetgekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/952 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2010, 10/4129 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 14 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.E. de Vries, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Bij brief van 28 september 2012 heeft mr. De Vries namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de Svb te veroordelen in de proceskosten.

De Svb heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

De Raad stelt vast dat de Svb met het besluit van 10 augustus 2012 aan appellant een wezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) heeft toegekend, met ingang van februari 2010. In die maand is de moeder van appellant overleden. Met dit besluit is de Svb geheel tegemoetgekomen aan appellant.

De Svb meent dat het verzoek om een proceskostenvergoeding moet worden afgewezen. Het oorspronkelijk besluit van 2 juni 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 augustus 2010, was destijds juist. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Omdat appellant tijdens de fase in hoger beroep een gerechtelijke procedure is gestart tot ontkenning van het vaderschap, welk verzoek door de rechtbank Amsterdam is toegewezen, blijkt achteraf gezien dat appellant wees is geworden door het overlijden van zijn moeder. Het is de Svb niet te verwijten dat het oorspronkelijke besluit, achteraf gezien, onjuist is.

In zijn uitspraak van 7 juli 2005, LJN AT9764, heeft de Raad overwogen dat een verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb als regel dient te worden ingewilligd op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien de noodzaak om beroep (of hoger beroep) in te stellen uitsluitend was te wijten aan de handelwijze van de betrokkene zelf. De door de Svb genoemde omstandigheden kunnen niet aangemerkt worden als bijzonder.

De Raad ziet aanleiding de Svb te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 437,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 437,-, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) R.L. Rijnen