Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6371

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
11-918 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Juiste verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de aan de schatting ten grondslag liggende functies in medisch opzicht passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/918 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 december 2010, 10/532 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.H.J. Slaats, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is met ingang van 9 oktober 2006 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. Bij besluit van 26 september 2007 is deze per 27 november 2007 beëindigd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%. Dit besluit staat in rechte vast.

2. Appellant is van 13 augustus 2007 tot en met 11 mei 2009 gedetineerd geweest in [D.]. Op 18 mei 2009 heeft appellant verzocht om herleving van zijn uitkering.

3.1. Bij besluit van 8 september 2009 is appellant meegedeeld dat hij per 11 mei 2009 niet in aanmerking wordt gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet werk in inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

3.2. Bij besluit van 23 maart 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van

8 september 2009 ongegrond verklaard.

3.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - gelet op alle voorhanden zijnde gegevens - geen aanknopingspunten gevonden om de eindconclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. De recente informatie van de behandelend sector is uitdrukkelijk en in voldoende mate in de beoordeling meegenomen. Appellant heeft geen gegevens overgelegd waaruit medische beperkingen zijn te herleiden die ernstiger zijn dan door het Uwv is aangenomen. Met betrekking tot het Post Traumatische Stress Syndroom (PTSS) overweegt de rechtbank dat deze klachten zijn ontstaan na 11 mei 2009 (de thans in geding zijnde datum). Om die reden worden deze klachten niet bij de beoordeling betrokken. Hetzelfde geldt voor klinische behandeling per 26 juli 2010. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de in het dossier aanwezige gegevens de conclusie kunnen dragen dat appellant in medisch opzicht in staat is tot het vervullen van de aan de schatting ten grondslag liggende functies.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn recht op een WIA-uitkering van rechtswege, op grond van het bepaalde in artikel 57, tweede lid, van de Wet WIA, herleeft op de dag dat de uitsluitingsgrond zich niet langer voordoet (11 mei 2009, de dag van het einde van de detentie). Daarnaast heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat tijdens zijn detentie zijn beperkingen zijn toegenomen. Hij heeft in hoger beroep een behandelplan VZ van

4 november 2011, een evaluatieplan VZ van 23 december 2011 en een afdruk dossieronderdeel van de afdeling Ambulante VsZ Locatie Venray in geding gebracht. Ter zitting van de Raad is - met toestemming van het Uwv - een behandelplan VZ van 29 augustus 2012 ingebracht. Uit deze stukken blijkt naar de mening van appellant dat hij vanwege het PTSS meer beperkingen heeft dan is aangenomen.

5.1. De Raad komt tot de volgende behoordeling.

5.2. De grond van appellant dat de hem toegekende WIA-uitkering in verband met de beëindiging van detentie op 11 mei 2009 dient te herleven, slaagt niet. De WIA-uitkering is per 27 november 2007 beëindigd omdat per die datum de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%. De Raad stelt vast dat het besluit op juiste wijze bekend is gemaakt nu het naar het bij het Uwv bekende adres gestuurd. Tegen het besluit is geen rechtsmiddel aangewend zodat het in rechte vaststaat. Omdat appellant tijdens zijn detentie minder dan 35% arbeidsongeschikt is geworden kan de enkele beëindiging van de detentie niet leiden tot herleving van de WGA-uitkering.

5.3. Herleving van de WGA-uitkering is ook mogelijk op grond van artikel 57, eerste en derde lid, van de Wet WIA als op 11 mei 2009 de mate van arbeidsongeschiktheid meer bedraagt dan 35% en die arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op grond waarvan hij eerder recht op een WGA-uitkering heeft. In dat verband wordt vastgesteld dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit juist is. Met de beperkingen van appellant is in voldoende mate rekening gehouden in de FML van 20 juli 2009. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank hieromtrent zoals is weergegeven in de aangevallen uitspraak. De medische stukken die in hoger beroep zijn ingebracht werpen geen ander licht op de zaak. De gegevens die in die stukken staan waren bij de bezwaarverzekeringsarts al bekend en zijn meegewogen in de beoordeling. Uit die stukken blijkt niet dat er meer beperkingen opgenomen hadden moeten worden. In de behandelplannen en evaluatieplannen van VZ wordt weliswaar melding gemaakt van PTSS, maar niet is aangegeven in hoeverre dit leidt tot meer beperkingen. De Raad acht hierbij mede van belang dat uit die stukken niet blijkt dat het PTSS ook daadwerkelijk is gediagnosticeerd en dat de behandelingen vooral zijn gericht op vermindering/voorkoming van cocaïnemisbruik.

5.4. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de aan de schatting ten grondslag liggende functies in medisch opzicht passend, zodat appellant terecht minder dan 35% arbeidsongeschikt, als bedoeld in de Wet WIA, is geacht.

6. Gelet op het hetgeen is overwogen in 5.2 tot en met 5.4 treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en C.C.W. Lange en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) J.R. Baas