Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6358

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
11-131 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag kinderbijslag. Met Rusland is geen handhavingsverdrag gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/131 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 december 2010, 10/3312 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 14 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2012. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij formulier, gedagtekend 11 december 2009, heeft appellant kinderbijslag aangevraagd ten behoeve van zijn kinderen [D.] en [E.], beiden geboren op [geboortedatum]. Daarbij heeft hij aangegeven dat zijn kinderen in Rusland wonen.

1.2. Bij besluit van 11 januari 2010 heeft de Svb de aanvraag afgewezen onder overweging dat met Rusland geen handhavingsverdrag is gesloten. Op grond van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) bestaat dan ten behoeve van kinderen die in Rusland wonen geen recht op kinderbijslag.

1.3. Bij besluit van 26 mei 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard onder de overweging dat geen sprake is van ontoelaatbare discriminatie of van ontoelaatbare beperkingen van de keuze van woon- of verblijfplaats.

3. Appellant heeft de uitspraak van de rechtbank gemotiveerd bestreden. Appellant heeft betoogd dat de Wet BEU discriminerend werkt omdat appellant en zijn kinderen zich niet vrij kunnen vestigen. Appellant betwijfelt dat op hetzelfde moment en in dezelfde mate getracht is met alle landen een handhavingsverdrag te sluiten. Voorts betwijfelt appellant dat Rusland hiertoe niet bereid zou zijn. Verder zet appellant vraagtekens bij de waarde van verdragen met sommige landen nu daar een totalitair regime heerst. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat verdere controle in Rusland niet noodzakelijk is omdat de kinderbijslag inkomensonafhankelijk is. Er is ook geen sprake van export van uitkeringen omdat appellant in Nederland woont.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) is ingevoerd bij de Wet BEU. Met laatstgenoemde wet is beoogd regelgeving tot stand te brengen waarmee wordt voorzien in de mogelijkheid de rechtmatigheid te controleren van uitkeringen die aan (of, in de AKW, in verband met) personen in het buitenland worden verstrekt. De Wet BEU is op 1 januari 2000 in werking getreden.

4.2. Ingevolge artikel 7b, eerste lid, van de AKW heeft de verzekerde geen recht op kinderbijslag voor een kind, indien dit kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont. Deze uitsluitingsgrond is niet van toepassing, aldus het tweede lid van dit artikel, indien het kind woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan. Teneinde de rechtmatigheid van de uitkeringen te kunnen controleren werden in dergelijke verdragen bepalingen opgenomen omtrent de controleerbaarheid van gegevens en de handhaafbaarheid van het recht op uitkering.

5.1. Appellant heeft gronden aangevoerd die zien op ongerechtvaardigde ongelijke behandeling door in verband met de woonplaats van de kinderen een handhavingsverdrag als voorwaarde te stellen. De Raad begrijpt dit als een beroep op artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat Verdrag (EP) en de vraag of de exporteerbaarheid van uitkeringen exclusief afhankelijk gesteld kan worden van het sluiten van (handhavings)verdragen met andere staten.

5.2. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan afgeleid worden dat de wetgever een grote ‘margin of appreciation’ heeft bij het inrichten en eventueel herinrichten van zijn sociaal zekerheidsstelsel. De Raad verwijst in dit verband naar de arresten van het EHRM van 8 juli 2003, Hatton II v. het Verenigd Koninkrijk, nr. 36022/97, overwegingen 97 e.v. en 12 april 2006, nr. 65731/01, Stec II en anderen v. het Verenigd Koninkrijk, overwegingen 52 en 65. Uit het arrest Hatton II blijkt verder dat het EHRM van oordeel is dat een staat bij het nemen van een maatregel van algemene strekking zowel de algemene belangen als de individuele belangen bij zijn oordeel dient te betrekken, maar dat een staat in beginsel de vrijheid toekomt om te kiezen tussen verschillende mogelijkheden om de bij die maatregel betrokken belangen te verzoenen. Bij de beoordeling van de aan een verdragspartij toekomende ‘margin of appreciation’ is voorts van belang of het gemaakte onderscheid een verdacht onderscheid is. De Raad verwijst in dit kader naar het arrest van het EHRM van 24 juli 2003, Karner v. Oostenrijk, nr. 40016/98, overweging 41. Het onderscheid naar woonplaats, welk onderscheid hier in geding is, is niet als een zodanig verdacht onderscheid te beschouwen, zodat de aan de Staat toekomende beoordelingsvrijheid ook in zoverre een ruime is.

5.3. Uit het arrest Carson II en anderen van 16 maart 2010, nr. 42184/05, overweging 88, blijkt dat het EHRM van oordeel is dat het sluiten van bilaterale sociale zekerheidsverdragen de aangewezen methode is om de wederkerigheid van uitkeringen te kunnen waarborgen. Bij het afsluiten van dergelijke verdragen kunnen beide staten zoveel mogelijk rekening houden met de omstandigheden en belangen in hun staten. Dat hierdoor, afhankelijk van de woonplaats, verschillen kunnen ontstaan tussen onderdanen van verschillende landen door de inhoud van een verdrag, dan wel het wel of niet af kunnen of willen sluiten van een verdrag, is volgens het EHRM onvermijdelijk.

5.4. De Raad concludeert dat de Staat met de voorwaarde zoals neergelegd in artikel 7b van de AKW, inhoudende dat voor een in het buitenland wonend kind slechts dan kinderbijslag wordt toegekend indien dit kind woont in een land waarmee een handhavingsverdrag is gesloten, geen ontoelaatbaar onderscheid naar woonplaats heeft gemaakt, getoetst aan artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het EP.

5.5. Voorts volgt de Raad appellant niet in zijn stelling dat de met de Wet BEU nagestreefde controledoelstellingen in het onderhavige geval niet in het geding zijn omdat de Svb alle noodzakelijke gegevens al zou hebben en er voorts geen sprake zou zijn van export van uitkeringen. Daarbij merkt de Raad op dat het gaat om de verstrekking van kinderbijslag ten behoeve van kinderen die ten tijde in geding niet tot appellants huishouden in Nederland behoorden doch in Rusland woonden. Artikel 7, eerste lid, onder b, van de AKW stelt in dat geval onder meer de voorwaarde dat appellant zijn kinderen in belangrijke mate onderhoudt, een voorwaarde waar de Svb controle op moet kunnen uitoefenen.

5.6. Met een aantal landen, waaronder Rusland, is om verschillende redenen, geen verdrag gesloten als bedoeld in artikel 7b, tweede lid, van de AKW. Uit de parlementaire stukken blijkt dat de Rusland aanvankelijk positief heeft gereageerd op het verzoek van Nederland om een handhavingsverdrag te sluiten, dat besprekingen zijn gevoerd maar dat uiteindelijk geen verdrag tot stand is gekomen (Kamerstukken II 2002/03, 17 050, nr. 243; Kamerstukken II 2004/05, 29 382, nr. 11; Kamerstukken II 2006/07, 30 665, nr. 5). Gezien de hiervoor reeds gestelde ruime ‘margin of appreciation’ kan niet gesteld worden dat de Nederlandse Staat gehouden was het sluiten van een verdrag met Rusland sterker te bevorderen. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de aard van het regime in een land waarmee wel een handhavingsverdrag is gesloten, in het onderhavige geval ter zake doet.

5.7. Dit alles leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling bij het niet toekennen van kinderbijslag aan betrokkene vanwege het bepaalde in artikel 7b van de AKW. De rechtbank heeft derhalve terecht het beroep ongegrond verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) S.K. Dekker