Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6294

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
11-3013 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aanspraak op een WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3013 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 mei 2011, 10/4975 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.E. Temmen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2012. Namens appellant is verschenen mr. Temmen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft van 18 juni 1996 tot 5 maart 2006 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Bij brief van 11 september 2009 heeft appellant het Uwv verzocht hem wederom in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering.

2. Bij het besluit van 16 juni 2010 heeft het Uwv appellant bericht dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAO per 21 mei 2009 minder dan 15% bedraagt en dat hij geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering. Bij beslissing op bezwaar van 18 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 juni 2010 ongegrond verklaard, zij het dat appellant met ingang van 22 mei 2009 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bestreden besluit rust op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat verweerder pas in beroep de medische geschiktheid van appellant voor de functie van productiemedewerker industrie voldoende heeft toegelicht en dat de functies van productiemedewerker industrie, schilder/spuiter en archiefmedewerker/medewerker bibliotheek terecht aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag zijn gelegd.

4. In hoger beroep heeft appellant gelijke gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg heeft gedaan. Appellant heeft naar voren gebracht dat het ondervinden van stress ten gevolge van de te voeren procedures, de constante angst opnieuw door een bloeding te worden getroffen, alsmede de frustratie die hij voelt ten gevolge van het niet erkennen van zijn klachten door het Uwv ervoor zorgen dat hij ieder moment opnieuw door een bloeding kan worden getroffen. Een en ander zal versneld worden indien appellant door een afschatting wordt gedwongen werkzaamheden te verrichten die in zijn visie niet door hem verricht kunnen worden. Die werkzaamheden kan appellant niet aan vanwege druk, alsmede de contacten met andere mensen die deze werkzaamheden met zich brengen. Appellant meent dat bij het vaststellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onvoldoende met de medische beperkingen voor het verrichten van arbeid rekening is gehouden.

5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

5.1. Ingevolge artikel 43a, eerste lid, van de WAO vindt toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd, indien degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken of aan wie per einde wachttijd niet een zodanige uitkering werd toegekend, binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na ommekomst van de wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken.

5.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het medisch onderzoek, dat aan de bestreden besluitvorming te grondslag is gelegd, voldoende zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv kennis heeft genomen van de brief van neuroloog G.W.A. den Hartog van 3 juni 2009, waarin de toestand van appellant wordt beschreven omstreeks de datum in geding. Appellant heeft geen medische informatie overgelegd waaruit afgeleid zou kunnen worden dat hij meer beperkingen heeft dan de verzekeringsartsen van het Uwv hebben aangenomen. Uit de beschikbare medische stukken is niet gebleken dat het verrichten van arbeid appellant wordt ontraden. Evenmin heeft appellant met medische stukken onderbouwd dat de kans op een hersenbloeding toeneemt door het verrichten van arbeid. Bovendien zijn in de FML diverse beperkingen aangenomen ter preventie van een eventuele hersenbloeding. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat er aanleiding is te oordelen dat hij op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, meer beperkingen ondervindt dan zijn neergelegd in de FML.

5.3. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat een deugdelijke arbeidskundige grondslag aan het besluit ten grondslag ligt. De bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv heeft genoegzaam toegelicht dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat. De thans geduide functies zijn passend voor de krachten en bekwaamheden van appellant.

5.4. Uit het overwogene onder 5.2 en 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) K.E. Haan

JL