Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6286

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
11-3165 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting uitwonendenbeurs in een thuiswonendenbeurs. Een inspanningsverplichting als door appellante bepleit om haar adres in het buitenland te achterhalen, rust niet op de Minister. De Raad stelt vast dat appellante niet al het mogelijke heeft gedaan om ervoor te zorgen dat voor haar bestemde, aan haar oude adres gestuurde, post haar zou (blijven) bereiken. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 23 april 2010, LJN BM2525, komt het niet ontvangen van een waarschuwingsbrief voor rekening van degene die verzuimt zijn adreswijziging op te geven en die tevens onvoldoende adequate maatregelen treft om kennis te kunnen (blijven) nemen van voor hem of haar bestemde post.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3165 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

20 april 2011, 11/116 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

Datum uitspraak: 14 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam vader], vader van appellante, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2012. Appellante is niet verschenen. Voor de Minister is verschenen mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij brief van 9 april 2010 heeft de Minister aan appellante meegedeeld dat na controle is geconstateerd dat het woonadres dat zij aan hem heeft opgegeven ([adres] te [plaatsnaam]) afwijkt van haar adres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) welke laatste de Minister niet bekend is. Daarbij is vermeld dat indien appellante haar (nieuwe) woonadres nog niet heeft doorgegeven aan de gemeente, dit binnen vier weken alsnog moet gebeuren. Verder heeft de Minister te kennen gegeven dat indien het woonadres dat aan de Minister is doorgegeven niet (meer) juist is, appellante het juiste adres alsnog binnen vier weken moet doorgeven. Appellante is in die brief gewaarschuwd dat de haar toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende vanaf maart 2010 wordt omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende, indien zij de afwijking tussen beide adressen niet binnen vier weken ongedaan maakt. Als adressering op de brief is het hiervoor genoemde adres vermeld.

1.2. De Minister heeft bij besluit van 12 juni 2010 de aan appellante toegekende uitwonendenbeurs met ingang van maart 2010 omgezet in een thuiswonendenbeurs. Daartoe heeft de Minister overwogen dat appellante heeft nagelaten de afwijking tussen het aan de Minister opgegeven woonadres en het adres waarop zij in de GBA ingeschreven staat, ongedaan te maken.

1.3. Appellante heeft tegen het besluit van 12 juni 2010 bezwaar gemaakt. Zij heeft erkend indertijd te hebben nagelaten haar adreswijziging aan de Minister door te geven. Zij heeft gesteld dat de Minister onvoldoende inspanningen heeft verricht haar op haar adres in het buitenland te bereiken, teneinde haar binnen de vermelde termijn in de gelegenheid te stellen alsnog haar nieuwe adres op te geven.

1.4. De Minister heeft het bezwaar bij besluit van 31 augustus 2010 (bestreden besluit) onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ongegrond verklaard. Hij heeft er daarbij op gewezen dat appellante ten onrechte niet heeft gereageerd op de brief waarin haar gelegenheid is geboden de geconstateerde afwijking in de adresgegevens ongedaan te maken.

2. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich - ook - in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de Minister zich onvoldoende heeft ingespannen om appellante te bereiken. Ook heeft zij herhaald dat zij bij snellere besluitvorming door de Minister eerder in actie had kunnen komen zodat haar uitwonendenbeurs ook eerder zou zijn hersteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft de door appellante aangevoerde beroepsgronden afdoende besproken en zij heeft terecht geoordeeld dat deze niet konden slagen. De Raad is met de rechtbank, en op de door haar gebezigde gronden, van oordeel dat de Minister zijn besluit tot omzetting van de uitwonendenbeurs van appellante in een thuiswonendenbeurs over de periode maart 2010 tot en met juli 2010 terecht heeft gehandhaafd. Een inspanningsverplichting als door appellante bepleit om haar adres in het buitenland te achterhalen, rust niet op de Minister. De Raad stelt vast dat appellante niet al het mogelijke heeft gedaan om ervoor te zorgen dat voor haar bestemde, aan haar oude adres gestuurde, post haar zou (blijven) bereiken. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 23 april 2010, LJN BM2525, komt het niet ontvangen van een waarschuwingsbrief voor rekening van degene die verzuimt zijn adreswijziging op te geven en die tevens onvoldoende adequate maatregelen treft om kennis te kunnen (blijven) nemen van voor hem of haar bestemde post.

4.2. Appellante kan evenmin worden gevolgd in haar stelling dat de omzetting ongedaan had moeten worden gemaakt met ingang van de maand juni 2010, omdat de Minister toen zou hebben geweten dat appellante in Portugal woonde, dan wel de maand juli 2010, omdat appellante in die maand de afwijking heeft hersteld. Appellante miskent met deze stelling dat de omzetting op grond van artikel 1.5, derde lid, van de Wsf 2000, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang, pas ongedaan wordt gemaakt met ingang van de maand volgend op die waarin de afwijking ongedaan is gemaakt.

4.3. De verwijzing van appellante naar de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging van 10 december 2011 kan haar niet baten. De aangehaalde passage heeft geen betrekking op kwesties als de onderhavige. De passage waarin appellante meent steun te kunnen vinden voor haar stelling dat de Minister onderzoek moest doen naar haar woonplaats, heeft betrekking op de vraag of studerenden uitwonend zijn. Dat appellante ten tijde hier van belang uitwonend was wordt door de Minister niet betwist.

4.4. Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en T. Hoogenboom en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) G.J. van Gendt

GdJ