Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
12-1219 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een WIA-uitkering toe te kennen. Niet is gebleken dat de beperkingen van appellante zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere beoordeling in 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1219 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 januari 2012, 11/932 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Broens hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Broens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 18 september 2006 geweigerd aan appellante met ingang van 13 september 2006 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellante per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de bij beslissing op bezwaar van 20 februari 2007 gehandhaafde weigering, bij haar uitspraak van 16 oktober 2007 (SBR 07/636) ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 26 juni 2009 die uitspraak bevestigd (LJN: BJ1654).

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 4 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 25 augustus 2010, waarbij het Uwv heeft geweigerd aan appellante met ingang van 1 januari 2010 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts naar aanleiding van het eigen onderzoek heeft geconcludeerd dat er, zowel anamnestisch als conform het klinische beeld, geen nieuwe medische feiten zijn om aan te nemen dat het medische beeld per datum van het onderzoek van de medische situatie tijdens het laatste onderzoek afwijkt. Er zijn dan ook geen medische redenen om de eerder opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 september 2006 aan te scherpen, omdat deze FML de klachten van appellante nog steeds ondervangt. Voorts heeft de rechtbank geconstateerd dat de bezwaarverzekeringsarts, na eigen onderzoek en bestudering van medische gegevens, geen argumenten heeft gezien om af te wijken van de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. In reactie op de in beroep nog ingezonden stukken heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 28 oktober 2011 geconstateerd dat de medische toestand van appellante hooguit marginaal is gewijzigd en dat er geen overtuigend bewijs voorligt voor een evidente toename van beperkingen. Gelet op de zorgvuldige en inzichtelijke wijze waarop de medische belastbaarheid van appellante is onderzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en de volledigheid van de aangenomen beperkingen in de medische belastbaarheid van appellante.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar in bezwaar en beroep aangevoerde standpunt herhaald dat vanwege lichamelijke klachten haar belastbaarheid per 1 januari 2010 is gewijzigd en dat zij verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Ter ondersteuning van haar betoog heeft zij onder meer verwezen naar informatie afkomstig van de pijnspecialist V. Rezvani die haar behandelt in verband met rugklachten en naar algemene documentatie die betrekking heeft op sacro-ischialgie. Vanwege haar klachten acht appellante ook een beperking ten aanzien van de werktijden noodzakelijk.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De rechtbank heeft, uitgaande van de gedingstukken die voorlagen op het moment dat de rechtbank uitspraak deed, met juistheid overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Met de rechtbank kan worden vastgesteld dat door de verzekeringsarts(en) voldoende gemotiveerd is waarom de in beroep nog overgelegde stukken geen aanleiding hebben gegeven om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen.

4.2. Ten aanzien van hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd kan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts worden gevolgd zoals dat blijkt uit zijn rapport van 24 oktober 2012. Revzani heeft appellante zeer geruime tijd na de datum in geding onderzocht en uit diens verslag blijkt dat hij niet met zekerheid een diagnose heeft kunnen stellen. Uit de informatie van Revzani blijkt geenszins dat de beperkingen van appellante zijn toegenomen, mede doordat Revzani zelf heeft aangegeven dat het voor hem lastig te bepalen is of haar huidige klachten sinds begin 2010 al bestonden. Opnieuw heeft de bezwaarverzekeringsarts er de aandacht op gevestigd dat bij een pijnsydroom per definitie een verschil bestaat tussen de ervaren en objectief vastgestelde beperkingen en dat dat andermaal ook blijkt uit de stukken van Revzani. De bezwaarverzekeringsarts kan verder ook worden gevolgd in zijn standpunt dat, mits arbeid passend is er in medisch opzicht geen argumenten voor een duurbeperking bestaan.

4.3. Geconcludeerd kan worden dat afdoende is gemotiveerd dat niet is gebleken dat de beperkingen van appellante zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere beoordeling in 2006.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) J.R. Baas

KR