Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6258

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
10-5120 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als gevolg van het feit dat het Uwv per 16 juni 2006 toepassing heeft gegeven en, gelet op de tussenuitspraak, heeft mogen geven aan artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder d, van de WAO, is aan appellant over de periode van 16 juni 2006 tot en met 30 april 2009 ten onrechte een bedrag van € 16.342,73 verstrekt aan WAO-uitkering. Het Uwv is gehouden dit bedrag van appellant terug te vorderen, omdat van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, niet is gebleken. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5120 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 augustus 2010, 09/2862 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 december 2012

PROCESVERLOOP

Na de tussenuitspraak van de Raad van 27 juli 2012, LJN BX3038, heeft het Uwv op 14 september 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 26 september 2012 heeft appellant zijn zienswijze naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uiteenzetting van de feiten waarvan de Raad uitgaat bij zijn oordeelsvorming verwijst hij naar zijn hiervoor vermelde tussenuitspraak. Hieraan voegt hij het volgende toe.

2.1. Bij het besluit van 14 september 2012 heeft het Uwv zijn eerdere besluiten over de herziening en terugvordering van de WAO-uitkering en de toeslag herzien en bepaald dat de herziening van de WAO-uitkering niet eerder dan per 16 juni 2006 kan plaats vinden. Het Uwv heeft ook beslist dat als gevolg van dit besluit van de oorspronkelijke terugvordering van

€ 44.619,85 bruto een bedrag van € 16.392,73 aan ten onrechte verstrekte WAO-uitkering resteert.

2.2. Appellant kan zich met de terugvordering van de WAO-uitkering over de periode van 16 juni 2006 tot en met 30 april 2009 niet verenigen en heeft daarvoor verwezen naar zijn gronden in bezwaar, beroep en hoger beroep.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4. Met zijn besluit van 14 september 2012 heeft het Uwv voldaan aan de opdracht van de Raad in overweging 5 van de tussenuitspraak. Nadere besluitvorming is door het Uwv niet meer nodig. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit van 8 september 2009 vernietigen.

5.1. Nu met het besluit van 14 september 2012 niet geheel aan het beroep is tegemoetgekomen, wordt het beroep op grond van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb mede geacht te zijn gericht tegen dit besluit.

5.2. Als gevolg van het feit dat het Uwv per 16 juni 2006 toepassing heeft gegeven en, gelet op de tussenuitspraak, heeft mogen geven aan artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder d, van de WAO, is aan appellant over de periode van 16 juni 2006 tot en met 30 april 2009 ten onrechte een bedrag van € 16.342,73 verstrekt aan WAO-uitkering. Het Uwv is gehouden dit bedrag van appellant terug te vorderen, omdat van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, niet is gebleken. Het beroep van appellant tegen het besluit 14 september 2012 waarin het bedrag aan ten onrechte verstrekte uitkering abusievelijk is gesteld op € 16.392,73 in plaats van op € 16.342,73 slaagt niet.

6. Ten slotte ziet de Raad aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,- in hoger beroep, in totaal op € 1.748,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 september 2009;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 september 2012 ongegrond;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.748,-, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) R.L. Rijnen

JvC