Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6255

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
09/6454 WAO + 11/6722 WAO + 12/3378 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gebleken is dat het terug te vorderen bedrag onjuist is berekend, hetgeen door appellante ook niet wordt bestreden. Met betrekking tot het standpunt van appellante dat de terugvordering ook over het jaar 2001 is verjaard, wordt overwogen dat in de tussenuitspraak reeds is vastgesteld dat daarvan geen sprake is. De Raad ziet geen rechtsgrond op deze vaststelling, nu deze in de tussenuitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is gedaan, terug te komen. Van feiten of omstandigheden die eerst na het doen van de tussenuitspraak bekend zijn geworden, is de Raad ook ten aanzien van het jaar 2001 niet gebleken. Vastgesteld wordt dat appellante zich in feite kan verenigen met de restitutie van het bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/158

Uitspraak

09/6454 WAO, 11/6722 WAO en 12/3378 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 oktober 2009, 08/1668 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 december 2012

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 23 maart 2012 een tussenuitspraak, LJN BW0214, gedaan.

Het Uwv heeft op 2 mei 2012 een (tweede) gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Hierop heeft appellante gereageerd bij brieven van 16 mei 2012 en 22 mei 2012.

De Raad heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt hij het volgende toe.

2.1. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij besluit van 2 mei 2012 de hoogte van het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 43.010,65. Aangezien appellante reeds een bedrag van € 47.946,01 had terugbetaald, heeft het Uwv bij dit besluit tevens bepaald dat aan haar een bedrag van € 4.935,36 bruto wordt gerestitueerd en dat over dit bedrag wettelijke rente wordt vergoed.

2.2. Met het besluit van 2 mei 2012 kan appellante zich evenmin verenigen. Zij is van mening dat ook de terugvordering over 2001, evenals de terugvordering over de jaren 1999 en 2000, is verjaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Aangezien het in 2.1 weergegeven besluit van 2 mei 2012 aan het beroep van appellante niet geheel tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb dit beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 2 mei 2012.

3.2. Het in 2.1 genoemde bedrag van € 47.946,01 was gebaseerd op een terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 1 januari 1999 tot 1 maart 2005. Bij besluit van 2 mei 2012 heeft het Uwv, in overstemming met hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, de terugvordering over de periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2001 laten vervallen en het terug te vorderen bedrag over de periode 1 januari 2001 tot 1 maart 2005 vastgesteld op € 43.010,65. Niet gebleken is dat dit bedrag onjuist is berekend, hetgeen door appellante ook niet wordt bestreden. Met betrekking tot het standpunt van appellante dat de terugvordering ook over het jaar 2001 is verjaard, wordt overwogen dat in de tussenuitspraak reeds is vastgesteld dat daarvan geen sprake is. De Raad ziet geen rechtsgrond op deze vaststelling, nu deze in de tussenuitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is gedaan, terug te komen. Van feiten of omstandigheden die eerst na het doen van de tussenuitspraak bekend zijn geworden, is de Raad ook ten aanzien van het jaar 2001 niet gebleken. Deze grond behoeft derhalve geen verdere bespreking meer. Op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat met het besluit van 2 mei 2012 het in de tussenuitspraak gesignaleerde gebrek is geheeld.

3.3. Voorts wordt vastgesteld dat appellante zich in feite kan verenigen met de restitutie van een bedrag van € 4.935,36 bruto, zodat ook dit punt geen verdere bespreking behoeft.

3.4. Uit overweging 3.2 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, dat de beroepen tegen de besluiten van 3 juni 2008 en 6 juli 2011 gegrond dienen te worden verklaard en dat deze besluiten dienen te worden vernietigd. Het beroep dat geacht kan worden te zijn gericht tegen het besluit van 2 mei 2012 dient ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad ziet aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep worden die kosten begroot op € 874,- en voor die bijstand in hoger beroep op € 1.092,50, in totaal derhalve op € 1.966,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 3 juni 2008 en 6 juli 2011 gegrond en vernietigt die besluiten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 mei 2012 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.966,50;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 149,-vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.R. Baas

QH