Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6227

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
11-3556 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3556 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 mei 2011, 11/72 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 7 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.D. van Alphen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Alphen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als allround horecamedewerkster in een omvang van 29,04 uur per week. In juni 2008 is zij uitgevallen in verband met de gevolgen van borstkanker.

1.2. Bij besluit van 23 april 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 7 juni 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3. Bij besluit van 30 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 23 april 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv zich heeft gebaseerd op eigen uitvoerig verzekeringsgeneeskundig onderzoek op basis waarvan hij heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante per 7 juni 2010 correct is. De door appellante overgelegde brieven van de fysiotherapeut en de huisarts van appellante werpen geen ander licht op de belastbaarheid van appellante per 7 juni 2010 en op eventuele beperkingen die daaruit voortvloeien voor het verrichten van arbeid. Uit de aangehaalde brieven komt onder meer naar voren dat de schouder en de arm van appellante matig belastbaar zijn en dat het Uwv met de matige arm- en schouderfunctie rekening heeft gehouden en deze beperking heeft opgenomen in de zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank heeft vastgesteld dat de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten bieden om meer beperkingen op te nemen in verband met conflicthantering, rugklachten, knieklachten en een doof gevoel in de vingers/hand van appellante.

2.3. Voorts heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Naar het oordeel van de rechtbank is door de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante, zoals neergelegd in de FML, niet overschrijden.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat haar beperkingen tot het verrichten van arbeid niet juist zijn vastgesteld en dat zij niet in staat is tot het verrichten van de geduide functies. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante een rapport overgelegd van verzekeringsarts

mr. W.M. van der Boog van 12 augustus 2011, uit welk rapport volgens appellante blijkt dat de mogelijkheden van appellante, zoals die zijn vastgelegd in de FML, zijn overschat. Daarnaast heeft appellante zich ter onderbouwing van haar standpunt dat een urenbeperking moet worden opgenomen beroepen op een folder van KWF Kankerbestrijding.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 22 september 2011 op het rapport van Van der Boog gereageerd. Hij heeft opgemerkt dat er alleen dossierstudie is gedaan en dat geen contact met appellante heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts het standpunt ingenomen dat uit het rapport geen nieuwe medische gegevens naar voren komen. Uit de rapportages van de verzekeringsarts en de FML blijkt dat rekening is gehouden met forse beperkingen voor de linker arm in combinatie met een goed functionerende rechter arm. De bezwaarverzekeringsarts ziet dan ook geen reden om af te wijken van het eerdere medische oordeel. De brochure van KWF Kankerbestrijding acht de bezwaarverzekeringsarts algemeen. Het gaat volgens hem om de individuele situatie van appellante, waarbij hij het overigens niet verrassend acht dat appellante zich herkent in de brochure nu vermoeidheid na behandeling van kanker veel voorkomt.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Aan de door appellante in hoger beroep ingebrachte rapportage van verzekeringsarts Van der Boog kan niet die waarde worden gehecht die appellante daaraan gehecht wil zien. Van der Boog heeft appellante niet zelf gezien en zijn standpunt is dus louter gebaseerd op dossieronderzoek. Bovendien neemt Van der Boog in zijn rapport geen stellig standpunt in. Zo zijn er volgens hem een aantal aanwijzingen die maken dat hij vermoedt dat appellante meer beperkt is in het gebruik van de linker arm. Daarnaast geeft Van der Boog aan dat hij de beperkingen niet exact weet en de antwoorden daarom met een slag om de arm moet geven. Tegen deze achtergrond is zijn conclusie dat appellante meer beperkt is en dat er aanleiding is tot het stellen van een urenbeperking onvoldoende toegelicht.

4.2. Appellante heeft in het kader van haar klachten nog verwezen naar de brochure ‘Vermoeidheid na kanker’ van KWF Kankerbestrijding en heeft te kennen gegeven dat zij zich herkent in hetgeen in de brochure wordt aangegeven. Dit kan echter niet afdoen aan de medische beoordeling van appellante door de bezwaarverzekeringsarts, te meer nu de brochure in algemene termen is vervat en hieruit niets valt af te leiden omtrent de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding.

4.3. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen zijn de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt voor appellante. Uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 november 2010 volgt voorts dat de geselecteerde functies voldoende rekening houden met de gestelde beperkingen van appellante. In zijn rapportage van 4 april 2011 concludeert de bezwaararbeidsdeskundige dat geduide functies in hoger beroep niet in een ander daglicht komen te staan, waarbij de geduide functiemogelijkheden haalbaar zijn voor appellante op basis van het opgestelde belastbaarheidsprofiel. Er is geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de arbeidsdeskundige. Deze conclusies zijn voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht. Zij komen bovendien overeen met de opvatting van Van der Boog dat appellante strikt genomen acht uur per dag belastbaar is met werk, mits het passend werk betreft, namelijk heel licht belastend voor de linker arm. Er is dan ook geen sprake van een belemmering om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te kunnen uitoefenen.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.C. Bruning en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) Z. Karekezi

QH