Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6224

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
08-3703 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door appellant bij de fiscus gepresenteerde situatie niet in overeenstemming is met de voor de uitvoering van de sociale zekerheidswetten van belang zijnde omstandigheden. Uit de door appellant afgelegde verklaringen volgt dat appellant werkzaamheden heeft verricht bestaande uit verbouwingen en het doen van aanpassingen aan het onroerend goed, het verrichten van administratieve werkzaamheden en het nemen van beheers- en beleidsbeslissingen. Er is geen sprake van dat het slechts zeer incidentele en ondergeschikte werkzaamheden betreft. Dit betreffen werkzaamheden van een zodanige aard en omvang dat de met deze werkzaamheden verkregen inkomsten dienen te worden verrekend met de aan appellant toegekende Wajong-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3703 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 mei 2008, 07/3089 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.R.T.M. van Ojen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ojen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door B. de Weijer.

Op verzoek van appellant is gehoord mr. H.B.J. Hulshoff.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is op 25 mei 2012 hervat. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ojen en prof. dr. R.M. Freudenthal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 21 juni 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen zijn besluiten van 8 februari 2007 en 23 maart 2007.

De besluiten van 8 februari 2007 strekken ertoe dat:

- appellants uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) per 1 juli 1996 niet wordt uitbetaald, omdat hij op basis van zijn inkomsten minder dan 25% arbeidsongeschikt is;

- appellants Wajonguitkering per 1 juli 1999 wordt ingetrokken, omdat hij per die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt is;

- appellant geen recht heeft op een aanvulling op zijn Wajonguitkering (het kopje), omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden om voor zo'n aanvulling in aanmerking te komen.

Bij besluit van 23 maart 2007 heeft het Uwv de over de periode van 1 juli 1996 tot en met 30 september 2006 aan appellant onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de Wajong, ter hoogte van het brutobedrag van € 112.846,11, van appellant teruggevorderd.

1.2. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit - kort samengevat en voor zover hier van belang - ten grondslag gelegd dat uit de resultaten van een onderzoek naar aanleiding van een anonieme fraudemelding, neergelegd in een rapport werknemersfraude gedateerd 7 september 2006, volgt dat de door appellant verkregen inkomsten uit (kamer)verhuur dienen te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid en betrokken dienen te worden bij de vaststelling van de hoogte van het recht op uitkering. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de door appellant verrichte werkzaamheden aan de panden [adres 1], [adres 2] en [adres 3], alle te [woonplaats], bestonden uit het verrichten van verbouwingen en het doen van aanpassingen aan het onroerend goed, het verrichten van administratieve werkzaamheden en het nemen van beheers- en beleidsbeslissingen.

1.3. Het Uwv heeft in het bestreden besluit voorts vermeld dat in de besluiten van 8 februari 2007 het standpunt is ingenomen dat er aanleiding bestaat om de door appellant gemaakte keuze de verhuurinkomsten aan te merken als inkomsten uit vermogen, gelet op de door appellant verrichte werkzaamheden, niet te volgen. Het Uwv heeft aangevoerd dat de inspecteur van de Belastingdienst met betrekking tot het jaar in 2001 de huurinkomsten van appellant heeft aangemerkt als inkomsten uit arbeid, hetgeen het standpunt van het Uwv omtrent de aard van de werkzaamheden van appellant steunt. Het Uwv heeft aangevoerd dat de werkzaamheden van appellant in 2001 niet wezenlijk verschillen van de werkzaamheden die zijn verricht in de in geding zijnde periode. Voorts heeft het Uwv gesteld dat de inspecteur van de Belastingdienst geen navorderingen instelt over de in geding zijnde periode, slechts omdat de wet - gelet op het tijdsverloop - hiertoe geen mogelijkheden biedt.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellant gegrond verklaard en het bestreden besluit, voor zover dat ziet op een in hoger beroep niet aan de orde zijnd deel van het bestreden besluit, vernietigd. Uit de aangevallen uitspraak volgt dat de gronden van beroep van appellant die betrekking hebben op het antwoord op de vraag of het Uwv de door appellant verkregen inkomsten terecht heeft aangemerkt als inkomsten verkregen uit arbeid geen doel treffen. De rechtbank heeft hiertoe - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 21 oktober 2005, LJN AU5218 - overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of inkomsten uit verhuur moeten worden aangemerkt als inkomsten uit vermogen of inkomsten uit arbeid in beginsel de fiscale keuze van appellant dient te worden gevolgd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 november 2004, LJN AR5967, heeft de rechtbank erop gewezen dat van deze keuze mag worden afgeweken als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de gedingstukken -de rechtbank heeft in dit verband genoemd de door appellant afgelegde verklaring in het kader van het opsporingsonderzoek bedoeld in 1.2 ten overstaan van een beëdigd opsporingsambtenaar en de verklaringen van de voormalige huurders [T.], [K.], [W.] en [A.] - dat appellant structureel werkzaamheden heeft verricht.

2.2. De rechtbank heeft het betoog van appellant dat aan de verklaringen van de voormalige huurders geen waarde kan worden toegekend, omdat deze onder druk zijn afgelegd en ook later zijn ingetrokken niet gevolgd, omdat van druk niet is kunnen blijken en het terugkomen op de verklaringen op verzoek van appellant en niet tegenover een beëdigd opsporingsambtenaar heeft plaatsgevonden.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de huurinkomsten van appellant door het Uwv terecht zijn aangemerkt als inkomsten uit arbeid.

3.2. Appellant heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat hij de in 1.2 vermelde werkzaamheden niet heeft verricht. Appellant heeft aangevoerd dat hij in de jaren in geding relevant beperkt was en in verband met alcoholische dementie en psychopathie volstrekt niet in staat was deze werkzaamheden te verrichten. Hij heeft weliswaar verklaard werkzaamheden te hebben verricht, doch hij is eerst tot deze verklaring gekomen nadat hij onder druk is gezet. Appellant heeft voorts gewezen op een aantal verklaringen waarin door (voormalig) huurders is verklaard dat zij hem nimmer zagen en dat zijn vrouw alles regelde.

Appellant heeft voorts naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte gewicht heeft toegekend aan de verklaringen van enkele voormalige huurders die hebben verklaard dat hij werkzaamheden zou hebben verricht. De rechtbank is er ten onrechte aan voorbij gegaan dat deze verklaringen zijn ingetrokken. Appellant heeft overigens aandacht gevraagd voor de bijzondere rol die [A.] als ex-partner van de dochter van appellant heeft gespeeld.

3.3. Appellant heeft voorts aangevoerd dat zelfs in het geval zou worden aangenomen dat hij werkzaamheden heeft verricht, deze werkzaamheden niet kunnen worden geduid als meer dan normaal vermogensbeheer.

3.4. Appellant heeft tevens naar voren gebracht dat het onderzoek dat is verricht niet verricht had mogen worden gelet op - kort samengevat - het vanuit fiscaal oogpunt geringe belang.

3.5. Appellant heeft verder betoogd dat de inspecteur van de Belastingdienst zich ten aanzien van het jaar 2001 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door appellant in 2001 verrichte werkzaamheden niet als normaal vermogensbeheer kunnen worden gekwalificeerd. Appellant acht het zeer aannemelijk dat het Gerechtshof de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 oktober 2011, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat de door appellant persoonlijk verrichte werkzaamheden de werkzaamheden die bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk zijn te boven gaan, zal vernietigen. Appellant heeft tot slot betoogd dat de feiten in de periode van 1996 tot en met 1999 andere zijn dan in 2001.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2.1. In hoger beroep strijden partijen over het antwoord op de vraag of het oordeel van de rechtbank over het door het Uwv in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat niet de fiscale keuze van appellant wordt gevolgd, maar de inkomsten uit verhuur dienen te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid, juist is. Het belang van beantwoording van deze vraag is - kort samengevat - daarin gelegen dat in het geval de vorenbedoelde inkomsten van appellant moeten worden aangemerkt als inkomsten uit vermogen geen verrekening met de Wajong-uitkering van appellant kan plaatsvinden en dat in het geval deze inkomsten zijn verkregen uit arbeid wel verrekening kan plaatsvinden.

4.2.2. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat er aanleiding bestond om in afwijking van de door appellant gemaakte fiscale keuze de inkomsten van appellant uit verhuur aan te merken als inkomsten uit arbeid. Terecht heeft de rechtbank beoordeeld of de omstandigheden van dit geval de afwijking van de fiscale keuze rechtvaardigden. Bezien in dit licht is het antwoord op de vraag of de door appellant gemaakte fiscale keuze een juiste was - hetgeen door appellant onder verwijzing naar de opvatting van professor dr. Freudenthal en professor dr. H. Vording is gesteld - niet relevant. De Raad wijst erop dat van de opgelegde belastingaanslagen over de in geding zijnde periode, waarbij is uitgegaan van de door appellant gedane opgave van de inkomsten uit verhuur als inkomsten uit vermogen, niet wordt teruggekomen.

4.2.3. De visie van appellant op welke wijze de inkomsten uit verhuur vanaf 2001 dienen te worden gekwalificeerd is in dit geschil niet van belang, reeds omdat appellant ter zitting van de Raad heeft verklaard dat de feiten en omstandigheden vanaf 2001 andere zijn dan die in de in geding zijnde periode.

4.2.4. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de gedingstukken op voldoende wijze volgt dat appellant de werkzaamheden heeft verricht die door het Uwv zijn aangenomen en in het bestreden besluit zijn vermeld. Met juistheid heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat appellant kan worden gehouden aan zijn verklaringen afgelegd tegen een beëdigd opsporingsambtenaar. Ook de Raad is niet gebleken dat sprake is geweest van zodanige druk dat appellant in strijd met de waarheid heeft verklaard. De Raad acht hierbij mede van belang dat appellant zich niet kort na het afleggen van zijn verklaringen tot de beëdigd opsporingsambtenaar heeft gewend met de mededeling dat hij heeft verklaard in strijd met de waarheid. Nu het Uwv in het bestreden besluit met name is uitgegaan van de werkzaamheden die appellant naar eigen zeggen heeft verricht behoeft het standpunt van appellant ter zake van de juistheid van de door de getuigen afgelegde verklaringen geen uitgebreide bespreking. De rechtbank heeft terecht aan de verklaringen van de getuigen die in lijn liggen met de verklaringen van appellant waarde toegekend. Terecht heeft de rechtbank in haar overwegingen betrokken en hier waarde aan toegekend dat de getuigen hun verklaringen niet hebben herzien ten opzichte van een beëdigd opsporingsambtenaar. De omstandigheid dat er naar de stelling van appellant ook huurders zijn die hem nimmer hebben gezien - daargelaten of zulks juist is - doet niet af aan hetgeen door de andere getuigen is waargenomen.

4.3.1. Ten aanzien van het antwoord op de vraag of de door appellant verrichte werkzaamheden voldoende aanleiding geven om van de door appellant gemaakte fiscale keuze af te wijken overweegt de Raad als volgt.

4.3.2. De enkele omstandigheid dat werkzaamheden zijn verricht in verband met de verhuur van onroerend goed is naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals deze onder meer volgt uit zijn door de rechtbank aangehaalde uitspraken, in het geval deze inkomsten fiscaal zijn verantwoord en geaccepteerd als inkomsten uit vermogensbeheer, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van inkomsten die dienen te leiden tot verrekening met een Wajong-uitkering. Voor verrekening is in dat geval plaats, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat van die fiscale keuze moet worden afgeweken.

4.3.3. Van bijzondere omstandigheden is sprake in het geval de door een betrokkene gemaakte keuze fiscaal is geaccepteerd, maar dat de aard en omvang van deze werkzaamheden zodanig zijn dat deze normaal vermogensbeheer overschrijden. De Raad wijst er in dit verband op dat bij de fiscale verantwoording van activiteiten binnen marges keuzes kunnen worden gemaakt die niet zozeer zijn gegrond op fiscale afwegingen, maar zijn gegrond op een inschatting van de gevolgen die deze keuze heeft voor bijvoorbeeld de mogelijkheid van verrekening van deze inkomsten met uitkeringen in het sociaal zekerheidsrecht. Bij het vermoeden van het bestaan van zo'n situatie is het aan het Uwv, zoals in dit geval door het Uwv ook is gedaan, onderzoek te verrichten of de feiten en omstandigheden aanleiding geven van de gemaakte fiscale keuze af te wijken. Het Uwv dient zich hierbij een eigen oordeel te vormen.

4.3.4. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellant bij de fiscus gepresenteerde situatie niet in overeenstemming is met de voor de uitvoering van de sociale zekerheidswetten van belang zijnde omstandigheden. Uit de door appellant afgelegde verklaringen volgt dat appellant werkzaamheden heeft verricht bestaande uit verbouwingen en het doen van aanpassingen aan het onroerend goed, het verrichten van administratieve werkzaamheden en het nemen van beheers- en beleidsbeslissingen. Er is geen sprake van dat het slechts zeer incidentele en ondergeschikte werkzaamheden betreft. De werkzaamheden hebben een structureel karakter. In feite heeft appellant niet enkel de werkzaamheden van "klusjesman" verricht, maar heeft hij ook deelgenomen aan (verbouwings) werkzaamheden die hij heeft opgedragen aan derden.

Deze (verbouwings)werkzaamheden overstijgen het normaal vermogensbeheer. De factor arbeid van appellant is qua aard en omvang van een zodanig belang dat deze ten doel had voordeel uit onroerende goederen te halen welke het aan een belegger uit die goederen normaliter te halen rendement te boven gaat. Het Uwv heeft in het kader van de uitvoering van de sociale zekerheidswetten, in dit geval de Wajong, zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat - vanuit sociaal zekerheidsrechtelijk perspectief - dit werkzaamheden betreffen van een zodanige aard en omvang dat de met deze werkzaamheden verkregen inkomsten dienen te worden verrekend met de aan appellant toegekende

Wajong-uitkering.

4.4. Het beroep dat appellant ter zitting heeft gedaan op het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 15 september 2009 (Moskal/Polen) treft geen doel. Van een situatie als in dat arrest aan de orde is, is geen sprake. Appellant gaat eraan voorbij dat de verrekening en intrekking van zijn uitkering, alsmede de terugvordering van aan hem ten onrechte verstrekte uitkering het gevolg is van de omstandigheid dat op grond van door appellant gemaakte keuzes door het Uwv ten onrechte een recht op uitkering is vastgesteld en tot uitbetaling is gekomen.

5.1. Nu het betoog van appellant dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden en het bestreden besluit dient te worden vernietigd is gebaseerd op het in 3.1 vermelde standpunt en dit standpunt niet als juist kan worden aanvaard dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H. Bolt en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

QH