Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6094

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
10-5396 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak, zie LJN BU9005. In de tussenuitspraak is overwogen dat het beleid om de blijkens het crebo erkende opleidingen op MBO-4 niveau te beschouwen als overeenkomend met het niveau van groepsfunctie E niet als onredelijk kan worden beschouwd. De Raad achtte het op de weg van de staatssecretaris liggen een nader onderzoek te doen naar het niveau van de door appellant gevolgde CNE-opleiding. Appellant heeft voldoende gegevens aangedragen die het vermoeden wekken dat sprake is van MBO-niveau. Alle informatie die appellant heeft aangeleverd in ogenschouw genomen komt de Raad tot de slotsom dat, voor zover nog enige twijfel zou kunnen bestaan aan het niveau van de door appellant gevolgde opleiding, dat niet in zijn nadeel mag uitwerken. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen zou appellant bij plaatsing in categorie 2 benoemd zijn in groepsfunctie E. Daarin moet de staatsecretaris ter uitvoering van deze uitspraak alsnog voorzien, met terugwerkende kracht. Nabetaling bezoldiging met wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/81

Uitspraak

10/5396 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 augustus 2010, 10/402 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 13 december 2012

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen een tussenuitspraak gedaan op 15 december 2011, 10/5396 AW-T, LJN BU9005.

Appellant heeft bij brief van 11 juni 2012 het antwoord van het Informatiecentrum Diploma Waardering op zijn verzoek om zijn diploma te waarderen in vergelijking met het Nederlands onderwijs ingezonden.

De staatssecretaris heeft naar aanleiding daarvan op 29 juni 2012 een reactie ingezonden.

Hierop heeft appellant bij brief van 21 augustus 2012 gereageerd.

Daarna hebben partijen over en weer nog reacties ingezonden, op 24 augustus 2012, op 28 augustus 2012, op 24 september 2012 en op 5 oktober 2012. Partijen hebben daarin de Raad verzocht om thans uitspraak te doen.

De Raad heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de tussenuitspraak.

1.1. In de tussenuitspraak is overwogen dat het beleid om de blijkens het crebo erkende opleidingen op MBO-4 niveau te beschouwen als overeenkomend met het niveau van groepsfunctie E niet als onredelijk kan worden beschouwd. Maar ook een niet in het crebo opgenomen opleiding kan een qua niveau overeenkomende opleiding zijn. Daarvoor moet de ambtenaar voldoende bewijs aandragen. Appellant heeft stukken overgelegd die minst genomen het vermoeden wekten dat sprake is van MBO-niveau. De Raad achtte het op de weg van de staatssecretaris liggen een nader onderzoek te doen naar het niveau van de door appellant gevolgde CNE-opleiding. De staatssecretaris kreeg de opdracht aldus het zorgvuldigheidsgebrek dat aan het bestreden besluit kleefde te herstellen.

1.2. Uit de brief van appellant van 11 juni 2012 blijkt dat het Informatiecentrum Diploma Waardering als volgt heeft geantwoord op de vraag om waardering van zijn opleiding:

“U heeft uw opleiding gevolgd aan een particuliere instelling. Het diploma kan daarom niet vergeleken worden met een opleiding binnen het Nederlands regulier onderwijssysteem. In de door u bijgeleverde informatie over de opleiding staat al aangegeven dat het om een MBO+ niveau gaat.”

Appellant heeft in zijn brief opgemerkt dat de toevoeging aan het eind van het citaat betekent dat het informatiecentrum niet twijfelt aan het niveau van de opleiding.

1.3. De staatssecretaris heeft in zijn brief van 29 juni 2012 laten weten dat het antwoord van het informatiecentrum geen wijziging brengt in zijn eerder ingenomen standpunt dat appellant wel over het vereiste denkniveau, maar niet over de vereiste vooropleiding beschikt om ingedeeld te worden in categorie 2 bij de selectieprocedure om toegelaten te worden tot de opleiding tot groepsfunctie E-functionaris. Het informatiecentrum heeft de opleiding van appellant niet gewaardeerd, maar slechts een eigen mening uitgesproken. Dat laatste is voor de staatssecretaris geen nieuwe informatie die tot wijziging van zijn standpunt leidt.

1.4. Appellant heeft, kort weergegeven, in zijn reactie van 26 augustus 2012 het hanteren van de crebo-lijst ter discussie gesteld en gevraagd om schadevergoeding, als de Raad hem in het gelijk stelt. Over deze onderwerpen gaan ook de brieven van 28 september 2012 van de staatssecretaris en 5 oktober 2012 van appellant.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1. Uit de reactie van het Informatiecentrum Diploma Waardering blijkt dat een vergelijking van het diploma van appellant met een Nederlandse opleiding niet goed mogelijk is. Een sluitend antwoord op de vraag of de opleiding tot CNE moet worden beschouwd als een opleiding op MBO-4 niveau kan daardoor niet worden verkregen. De omstandigheid dat het hier een buitenlandse particuliere opleiding betreft mag echter niet meebrengen dat in zo’n geval nimmer een gelijkstelling als door appellant nagestreefd plaats zou kunnen vinden. In dit geval heeft appellant voldoende gegevens aangedragen om, zo is al in de tussenuitspraak overwogen, minst genomen het vermoeden te wekken dat sprake is van MBO-niveau. De opmerking die gemaakt is in de hiervoor aangehaalde brief van het Informatiecentrum is dan ook niet slechts een eigen mening, zoals de staatssecretaris betoogd heeft, maar de constatering van een feit. Een weerlegging van het hiervoor vermelde vermoeden kan daarin niet worden gevonden. Alle informatie die appellant heeft aangeleverd in ogenschouw genomen komt de Raad tot de slotsom dat, voor zover nog enige twijfel zou kunnen bestaan aan het niveau van de door appellant gevolgde opleiding, dat niet in zijn nadeel mag uitwerken. Daarvoor bestaat te minder aanleiding nu er geen verschil van mening bestaat over het feit dat appellant wel over het vereiste denkniveau beschikt.

Het bestreden besluit kan dus niet in stand blijven, evenmin als de aangevallen uitspraak, waarbij dat wel is gebeurd.

2.2. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen zou appellant bij plaatsing in categorie 2 benoemd zijn in groepsfunctie E. Daarin moet de staatsecretaris ter uitvoering van deze uitspraak alsnog voorzien, met terugwerkende kracht. Dit dient tevens te leiden tot een nabetaling van bezoldiging van appellant, met de gebruikelijke wettelijke rente. De Raad gaat ervan uit dat aldus zal worden voldaan aan het verzoek van appellant om schadevergoeding, zodat hij daarover geen beslissing neemt.

3. Er bestaat verder aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 51,04 aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 februari 2010 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- draagt de staatssecretaris op om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van

hetgeen onder 2.2 is overwogen;

- bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep

betaalde griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt;

- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een

bedrag van € 51,04.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) P.W.J. Hospel