Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6089

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
11/1806 AW + 11/4365 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde aanstelling van rechtswege en besluit de tijdelijke aanstelling niet te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. De periode die appellant wenst staat niet in juiste verhouding tot de duur van zijn tijdelijk dienstverband.Geen aanleiding voor het oordeel dat de betaling van een bedrag overeenkomend met het salaris van appellant voor een periode van zes maanden niet zou mogen worden verrekend met de aan hem gedurende die periode betaalde ziektewetuitkering. Met de vernietiging van het besluit de aanstelling niet te verlengen of om te zetten in een vast dienstverband is de tijdelijke aanstelling van appellant niet herleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/84

Uitspraak

11/1806 AW en 11/4365 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 februari 2011, 10/7538 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland (college)

Datum uitspraak: 13 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Vis hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 4 juli 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft daartegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.E.M. Smilde-Schölvink, advocaat, en drs. F. Hoogland en J.C.E. Hoek.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is met ingang van 1 november 2008 voor de duur van een jaar aangesteld in tijdelijke dienst als Adviseur B (opleiding & ontwikkeling) bij de afdeling Advies van het hoogheemraadschap van Rijnland. Bij goed functioneren zou per 1 november 2009 een aanstelling in vaste dienst volgen. Bij brief van 8 oktober 2009 is appellant meegedeeld dat zijn aanstelling per 1 november 2009 van rechtswege eindigt. Voorts is daarin het besluit vervat de tijdelijke aanstelling van appellant niet te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 september 2010 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De vernietiging berust op het oordeel van de rechtbank dat appellant rauwelijks is geconfronteerd met dreigend ontslag en dat niet is gebleken hoe hij precies in de gelegenheid is gesteld om zijn functioneren te verbeteren. In rechtsoverweging 7 heeft de rechtbank ten overvloede overwogen dat een fictieve verlenging van de aanstelling met een half jaar geen onredelijk uitgangspunt is, omdat appellant gedurende de periode van 1 november 2009 tot 1 mei 2010 volledig arbeidsongeschikt is geweest, zodat hij niet in staat zou zijn geweest alsnog aan de verwachtingen te voldoen. Aangezien terugkeer in een andere functie niet bespreekbaar is, lijkt de rechtbank een schadevergoeding in de vorm van zes maanden fictief dienstverband met aftrek van eventueel ontvangen uitkeringen redelijk.

3. Het hoger beroep van appellant is tegen deze rechtsoverweging 7 gericht. Appellant wenst een schadevergoeding te ontvangen die uitgaat van een fictief dienstverband van een jaar, waarbij geen aftrek van ontvangen uitkering plaatsvindt. Het college heeft in de aangevallen uitspraak berust en in het nieuwe besluit op bezwaar een schadevergoeding toegekend in overeenstemming met rechtsoverweging 7.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Nu door de rechtbank uitdrukkelijk is overwogen dat rechtsoverweging 7 ten overvloede is gegeven, de bewoordingen daar ook op wijzen en niet is bepaald dat deze in acht moeten worden genomen bij het nemen van het nieuwe besluit, betreft het hier geen bindende beslissing voor partijen. Appellant heeft bij dit hoger beroep dan ook geen belang: het is niet-ontvankelijk.

4.2. Dan komt de Raad vervolgens toe aan de beoordeling van het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 4 juli 2011, dat in dit geding wordt meegenomen.

4.3. Appellant acht fictieve verlenging van het dienstverband met een jaar aangewezen, juist omdat hij tot 1 mei 2010 ziek was en daarom geen gelegenheid had zich te verbeteren. Dat standpunt wordt niet gevolgd. De termijn van een half jaar is in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad in dit soort gevallen (CRvB 22 juli 2007, LJN BA0551). De argumenten die appellant hierover heeft aangedragen vormen geen aanleiding om in dit geval in afwijking van die rechtspraak te oordelen. De periode die appellant wenst staat niet in juiste verhouding tot de duur van zijn tijdelijk dienstverband, die immers slechts één jaar heeft bedragen. Overigens was appellant ook na 1 mei 2010 nog arbeidsongeschikt.

4.4. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de betaling van een bedrag overeenkomend met het salaris van appellant voor een periode van zes maanden niet zou mogen worden verrekend met de aan hem gedurende die periode betaalde ziektewetuitkering. Hoewel volgens vaste rechtspraak van de Raad verrekening met bijvoorbeeld een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet niet mogelijk is bij nabetaling van salaris na een vernietigd ontslag (CRvB 5 juni 2008, LJN BD5395), moet die situatie worden onderscheiden van het geval van appellant. Met de vernietiging van het besluit de aanstelling niet te verlengen of om te zetten in een vast dienstverband is de tijdelijke aanstelling van appellant niet herleefd. Die aanstelling was immers van rechtswege geëindigd per 1 november 2009. De betaling van een bedrag ter hoogte van zes - in dit geval: bruto - maandsalarissen is daarmee geen nabetaling van salaris zoals in de rechtspraak bedoeld, maar moet worden gezien als schadevergoeding. Partijen hebben dat ook zo opgevat. Door uit te gaan van het bruto salarisbedrag is appellant zeker niet te kort gedaan.

4.5. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 4 juli 2011 ongegrond is.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juli 2011 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2012.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) S.K. Dekker