Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6083

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
11-5199 ZVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling definitieve jaarafrekening van de buitenlandbijdrage. De omstandigheid dat appellant eerst in november 2006 ingeschreven staat als verzekerde in Cyprus kan niet leiden tot een andersluidende conclusie ten aanzien van de ingangsdatum van de heffing van de buitenlandbijdrage door Cvz. Het Hof heeft overwogen dat het verzuim om zich in te schrijven niet tot gevolg kan hebben dat deze verzekerden geen bijdragen hoeven te betalen in de lidstaat die hun pensioen of rente verschuldigd is, daar zij hoe dan ook ten laste blijven van deze laatste staat aangezien zij zich niet aan de regeling van Verordening 1408/71 kunnen onttrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5199 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2011, 10/2706 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

Datum uitspraak: 12 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2012. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is geboren op [geboortedatum] en woont sinds 2000 op Cyprus. In de periode van 9 november 2005 tot en met 27 maart 2006 verbleef appellant in Engeland. Hij ontvangt een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en pensioenuitkeringen van het ABP en de Stichting Pensioenfonds Uwv. Appellant is op 15 november 2006 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 ingeschreven bij het Ministry of Health ten laste van Nederland.

1.2. Bij besluit van 8 maart 2010 heeft Cvz de definitieve jaarafrekening van de op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) verschuldigde bijdrage (buitenlandbijdrage) over het jaar 2006 vastgesteld op € 1.220,87.

1.3. Bij besluit van 18 mei 2010 (bestreden besluit) heeft Cvz het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 maart 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betwist niet dat hij onder normale omstandigheden een buitenlandbijdrage over 2006 verschuldigd is, maar hij meent dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn bijzondere situatie. Omdat appellant tot november 2006 niet stond ingeschreven als verzekerde in Cyprus, kon hij daar op geen enkele wijze gebruikmaken van medische en/of geneeskundige behandeling of verzorging. Onder deze omstandigheden acht appellant het niet juist dat hij over het gehele jaar 2006 een bijdrage aan Cvz verschuldigd is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor de toepasselijke regelgeving wordt verwezen naar de prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 26 augustus 2009 (LJN BJ5891) en naar het arrest van het Hof van 14 oktober 2010, Van Delft e.a. (C-345/09, LJN BO1908).

4.2. Vaststaat dat appellant alleen uit Nederland een wettelijk pensioen en een pensioenuitkering ontvangt en daardoor ingevolge artikel 28bis van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) recht heeft op zorg in zijn woonland ten laste van Nederland. Dit betekent dat Nederland als pensioenland ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 33 van Vo 1408/71 een bijdrage mag inhouden op het pensioen van appellant. De Raad verwijst hiervoor tevens naar het genoemde arrest Van Delft e.a. van 14 oktober 2010.

4.3. In geschil is tussen partijen de vraag of Cvz in het geval van appellant de buitenlandbijdrage vanaf 1 januari 2006 heeft mogen vaststellen of dat de - al dan niet buiten de invloedsfeer van appellant ontstane - vertragende omstandigheden bij de inschrijving van appellant als verzekerde in Cyprus meebrengen dat hij niet over het gehele jaar 2006 bijdrageplichtig is.

4.4. De Raad beantwoordt de onder 4.3 geformuleerde vraag ontkennend en verwijst daarvoor naar het antwoord van het Hof op de door de Raad voorgelegde prejudiciële vraag met betrekking tot het keuzerecht. Het Hof heeft in zijn arrest van 14 oktober 2010, LJN BO1908 (zaak C-345/09) overwogen dat de artikelen 28 en 28bis van de Vo 1408/71 dwingend zijn voor de sociaal verzekerden die onder de werkingssfeer van deze bepalingen vallen. Het Hof heeft voorts overwogen dat het verzuim om zich in te schrijven niet tot gevolg kan hebben dat deze verzekerden geen bijdragen hoeven te betalen in de lidstaat die hun pensioen of rente verschuldigd is, daar zij hoe dan ook ten laste blijven van deze laatste staat aangezien zij zich niet aan de regeling van genoemde Verordening kunnen onttrekken. De omstandigheid dat de verzekerde die zich niet inschrijft bij het bevoegde orgaan van de woonstaat waardoor bij de betrokken verstrekkingen in die staat niet effectief kan ontvangen en dus geen kosten meebrengt die de pensioenlidstaat aan zijn woonstaat zou moeten vergoeden, doet volgens het Hof niet af aan het bestaan van het recht op die verstrekkingen en de daar tegenover staande wettelijke verplichting om aan de bevoegde organen van de lidstaat waar recht bestaat op een pensioen of rente, de bijdragen te betalen die verschuldigd zijn als tegenprestatie voor het risico dat die staat draagt ingevolge de bepalingen van Vo 1408/71. Een dergelijke verplichting tot bijdragebetaling is volgens het Hof inherent aan het door de nationale socialezekerheidsstelsels toegepaste solidariteitsbeginsel.

4.5. De Raad leidt hieruit af dat de omstandigheid dat appellant eerst in november 2006 ingeschreven staat als verzekerde in Cyprus niet kan leiden tot een andersluidende conclusie ten aanzien van de ingangsdatum van de heffing van de buitenlandbijdrage door Cvz. De Raad concludeert dan ook dat het besluit van Cvz om de definitieve jaarafrekening voor de buitenlandbijdrage te berekenen voor het gehele jaar 2006 in rechte stand houdt.

4.6. Ten slotte merkt de Raad wellicht ten overvloede op dat appellant de mogelijkheid heeft het Ministry of Health te verzoeken de voor november 2006 gemaakte medische kosten te vergoeden, nu hij met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 aldaar is ingeschreven.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) R. Scheffer