Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6079

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
12-601 ZVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling definitieve jaarafrekening van de buitenlandbijdrage. Aan de overschrijding van de in de Regeling neergelegde termijn met één dag kan niet de consequentie worden verbonden dat de definitieve jaarafrekening - als een onbevoegd door Cvz genomen besluit - behoort te worden vernietigd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen sprake is van een verval- of verjaringstermijn. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel is in dit geval geen sprake, nu appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat er nog een definitieve vaststelling van de jaarafrekening zou plaatsvinden en de termijnoverschrijding niet van zodanig lange duur is dat hij hiermee redelijkerwijs geen rekening meer behoefde te houden. Voorts is niet gebleken dat appellant door de termijnoverschrijding van één dag nadeel heeft geleden, nu Cvz heeft afgezien van het in rekening brengen van wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/601 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 december 2011, 11/990 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

College voor zorgverzekeringen (Cvz)

Datum uitspraak: 12 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2012. Appellant is - met voorafgaand bericht- niet verschenen. Cvz heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant woonde in 2006 in België en ontving een vervroegd pensioen van Stichting Pensioenfonds ABP.

1.2. Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland (België), ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage). De hoogte van de bijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde zorgkosten in het woonland gedeeld door de gemiddelde uitgaven voor zorg per verzekerde in Nederland (de woonlandfactor). Appellant heeft zich met ingang van 1 januari 2006 met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat hij in België is ingeschreven en dat de kosten van medische zorg ten laste van Nederland komen.

1.3. Bij besluit van 10 april 2007 heeft Cvz de jaarafrekening voor de buitenlandbijdrage over 2007 voorlopig vastgesteld op € 712,--.

1.4. De inspecteur van de Belastingdienst heeft op 18 december 2009 een beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi-beschikking) met betrekking tot 2006 aan appellant toegezonden. Op 29 oktober 2009 heeft de Belastingdienst de aanslag inkomstenbelasting met betrekking tot 2006 opgelegd.

1.5. Bij besluit van 1 augustus 2010 heeft Cvz de jaarafrekening voor de buitenlandbijdrage over 2006 definitief vastgesteld op € 3.331,94.

1.6. Bij besluit van 24 februari 2011 (bestreden besluit) heeft Cvz het tegen het besluit van 1 augustus 2010 ingediende bezwaarschrift van appellant ongegrond verklaard. Cvz erkent dat de in artikel 6.3.3 van de Regeling zorgverzekering (Regeling) genoemde termijn is overschreden, maar neemt het standpunt in dat dit niet afdoet aan de bijdrageplicht van appellant. Cvz biedt een compensatie door het achterwege laten van het heffen van rente en wijst op de mogelijkheid van een betalingsregeling op verzoek.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de in artikel 6.3.3 van de Regeling genoemde termijn is overschreden. Aangezien dit geen verjarings-of vervaltermijn is, maar een termijn van openbare orde, heeft dit niet tot gevolg dat een definitieve vaststelling van de buitenlandbijdrage niet meer kan plaatsvinden. Door af te zien van renteheffing heeft Cvz voldoende compensatie geboden voor de te trage besluitvorming.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat Cvz alleen bevoegd is tot het vaststellen van de buitenlandbijdrage binnen de in de Regeling neergelegde termijn. Het vaststellen van de buitenlandbijdrage na afloop van de in de Regeling neergelegde termijn is in strijd met de rechtszekerheid, zodat de bevoegdheid tot vaststelling van de bijdrage vervalt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 6.3.3, eerste lid, van de Regeling is, voor zover van belang, bepaald dat het verschil tussen de op grond van artikel 6.3.1, eerste lid, bedoelde bijdrage en het totaal van de op grond van artikel 6.3.2 dan wel met toepassing van artikel 6.3.4 ingehouden of geïnde bijdrage, met inachtneming van het achtste tot en met het tiende lid van artikel 6.3.1 en het tweede lid van dit artikel, door het Cvz wordt vastgesteld en verrekend, geïnd of uitgekeerd. In het derde lid is, voor zover van belang, bepaald dat Cvz (…) het verschil uiterlijk zes maanden na het tijdstip, waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de beschikking niet in Nederland belastbaar inkomen onherroepelijk zijn geworden, definitief vaststelt.

4.2. De NiNbi-beschikking over 2006 dateert van 18 december 2009 en de aanslag inkomstenbelasting van de Belastingdienst dateert van 29 oktober 2009. De beslistermijn voor de definitieve vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2007 eindigt op grond van artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling op 30 juli 2010. Door bij besluit van 1 augustus 2010 over het zorgjaar 2006 de definitieve jaarafrekening vast te stellen, heeft Cvz de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling opgenomen termijn van zes maanden met één dag overschreden.

4.3. Aan de overschrijding van deze termijn met één dag kan niet de consequentie worden verbonden dat de definitieve jaarafrekening - als een onbevoegd door Cvz genomen besluit - behoort te worden vernietigd. Cvz ontleent de bevoegdheid om een definitieve jaarrekening vast te stellen aan artikel 69 van de Zvw en artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling stelt slechts regels over de wijze waarop Cvz die bevoegdheid dient uit te oefenen. Noch in de Regeling noch in de toelichting daarop staat expliciet te lezen dat de bevoegdheid van Cvz bij overschrijding van de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling bedoelde termijn komt te vervallen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat geen sprake is van een verval- of verjaringstermijn.

4.4. Dit laat onverlet dat bij de definitieve vaststelling van een jaarafrekening na het verstrijken van de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling bedoelde termijn, rekening behoort te worden gehouden met het rechtszekerheidsbeginsel. Van schending van dit beginsel is in dit geval geen sprake, nu appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat er nog een definitieve vaststelling van de jaarafrekening zou plaatsvinden en de termijnoverschrijding niet van zodanig lange duur is dat hij hiermee redelijkerwijs geen rekening meer behoefde te houden. Uit artikel 6.3.3 van de Regeling vloeit immers voort dat na een eventuele inhouding - in een geval als dat van appellant - nog een voorlopige en een definitieve afrekening door Cvz zullen worden vastgesteld. Voorts moet worden vastgesteld dat Cvz appellant op 10 april 2007 een voorlopige jaarafrekening 2007 heeft toegezonden, waaruit hij kon afleiden dat de vaststelling nog niet definitief was en waarmee hij zelf - op basis van zijn inkomensgegevens - de hoogte van de buitenlandbijdrage en daarmee van het nog openstaande bedrag kon berekenen. Voorts is niet gebleken dat appellant door de termijnoverschrijding van één dag nadeel heeft geleden, nu Cvz heeft afgezien van het in rekening brengen van wettelijke rente.

4.5. Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) R. Scheffer