Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
12-1777 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1777 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 februari 2012, 11/1341 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Stichting Openbare Scholengemeenschap [naam stichting] (stichting)

Datum uitspraak 13 december 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2012. Appellant is verschenen en de stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van der Meer, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is voor de duur van enige maanden werkzaam geweest als leerkracht bij de stichting. Zijn dienstverband is per 1 augustus 2007 geëindigd. In de brief van 1 oktober 2009 heeft de stichting aan appellant mededelingen gedaan over een eerder besluit betreffende urenuitbreiding. Voor wat betreft het standpunt van appellant dat de stichting appellant hulp had moeten bieden bij het vinden van een nieuwe baan is, kort samengevat, opgemerkt dat het CWI van overheidswege hulp biedt bij het vinden van ander werk.

1.2. Bij besluit van 26 april 2011 (bestreden besluit) heeft de stichting het - in overeenstemming met de uitspraak van de rechtbank van 18 november 2010 (10/1220) - als bezwaarschrift opgevatte beroepschrift van appellant van 30 juni 2010 niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat het bezwaarschrift zonder verschoonbare reden te laat is ingediend.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat appellant pas ruimschoots na het verstrijken van de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt tegen de brief van 1 oktober 2009 en dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan dit appellant niet verweten kan worden. Daarbij is de rechtbank er vanuit gegaan dat in de brief van 1 oktober 2009 een besluit was vervat over urenuitbreiding.

3. Appellant heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. De rechtbank heeft volgens appellant niet gezien dat het geschil niet draait om de urenuitbreiding (die kwestie is inmiddels opgelost), maar om de eveneens in de brief van 1 oktober 2009 opgenomen weigering hulp te bieden bij het vinden van een andere werkkring (zorgplicht).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ook als er vanuit wordt gegaan dat appellant bezwaar heeft willen maken uitsluitend tegen de passages in de brief van 1 oktober 2009 over de zorgplicht, moet worden vastgesteld, nog daargelaten of die passages een besluit bevatten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, dat het bezwaarschrift van appellant van 30 juni 2010 te laat is ingediend. Niet is gebleken dat die termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dat de rechtbank mogelijk een niet geheel juiste opvatting had van het echte geschilpunt tussen partijen maakt de uitkomst dus niet anders.

4.2. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Ten overvloede en ter voorlichting van partijen overweegt de Raad nog het volgende. Uit de gedingstukken blijkt dat de stichting in feite teruggekomen is van haar standpunt dat geen hulp behoeft te worden verleend aan appellant bij het vinden van ander werk. Na overleg en eerdere aanbiedingen hebben partijen in september 2010 een offerte plaatsingsplan getekend, waarbij aan het bureau Aalsum & Nieuwland opdracht is gegeven appellant begeleiding te bieden. Voorzien is in een traject van 1 juni 2010 tot 1 oktober 2011 en daarmee was een bedrag van € 2.400,- gemoeid. Ter zitting is gebleken dat dit traject daadwerkelijk tot uitvoering is gekomen. Daarmee heeft de stichting volgens de Raad in meer dan voldoende opzicht aan de zorgplicht voldaan. Voor verdergaande verplichtingen, zoals het bekostigen van een aanvullende opleiding van appellant, bestaat geen enkele grond.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en B.J. van de Griend en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) M.R. Schuurman

IJ