Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
11-7168 ZVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling definitieve jaarafrekening van de buitenlandbijdrage. Aan de overschrijding van de in de Regeling neergelegde termijn kan niet de consequentie worden verbonden dat de definitieve jaarafrekening - als een onbevoegd door Cvz genomen besluit - behoort te worden vernietigd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen sprake is van een verval- of verjaringstermijn. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel is in dit geval geen sprake, nu appellante wist of redelijkerwijs kon weten dat er nog een definitieve vaststelling van de jaarafrekening zou plaatsvinden en de termijnoverschrijding niet van zodanig lange duur is dat zij hiermee redelijkerwijs geen rekening meer behoefde te houden. Voorts is niet gebleken dat appellante door de termijnoverschrijding nadeel heeft geleden, nu Cvz heeft afgezien van het in rekening brengen van wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7168 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2011, 11/4154 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

College voor zorgverzekeringen (Cvz)

Datum uitspraak: 12 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar echtgenoot [D.]. Het Cvz heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante woonde in 2007 in België en ontving een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2. Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellante door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft zij op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland (België), ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage). De hoogte van de bijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde zorgkosten in het woonland gedeeld door de gemiddelde uitgaven voor zorg per verzekerde in Nederland (de woonlandfactor). Appellante heeft zich met ingang van 1 januari 2006 met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van haar woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat zij in België is ingeschreven en dat de kosten van medische zorg ten laste van Nederland komen.

1.3. Bij besluit van 21 november 2008 heeft Cvz de jaarafrekening voor de buitenlandbijdrage over 2007 voorlopig vastgesteld op € 1.063,--.

1.4. De inspecteur van de Belastingdienst heeft op 22 juni 2010 een beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi-beschikking) aan appellante toegezonden.

1.5. Bij besluit van 19 mei 2011 heeft Cvz de jaarafrekening voor de buitenlandbijdrage over 2007 definitief vastgesteld op € 3.691,54.

1.6. Bij beslissing op bezwaar van 19 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft Cvz het tegen het onder 1.5 genoemde besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Cvz erkent dat de in artikel 6.3.3 van de Regeling zorgverzekering (Regeling) genoemde termijn is overschreden, maar neemt het standpunt in dat dit niet afdoet aan de bijdrageplicht van appellante. Cvz biedt een compensatie door het achterwege laten van het heffen van rente en wijst op de mogelijkheid van een betalingsregeling op verzoek.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de in artikel 6.3.3 van de Regeling zorgverzekering (Regeling) genoemde termijn is overschreden. Aangezien dit geen verjarings- of vervaltermijn is, maar een termijn van openbare orde heeft dit niet tot gevolg dat een definitieve vaststelling van de buitenlandbijdrage niet meer kan plaatsvinden. Het te laat nemen van een besluit kan in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar dat heeft evenmin tot gevolg dat vaststelling en invordering niet langer kunnen plaatsvinden. Door af te zien van renteheffing heeft Cvz voldoende compensatie geboden voor de te trage besluitvorming.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het pas in 2011 definitief vaststellen van de buitenlandbijdrage op een bedrag van € 3.500,-- onbehoorlijk bestuur is. Zij verzoekt daarom het bestreden besluit te vernietigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 6.3.3, eerste lid, van de Regeling is, voor zover van belang, bepaald dat het verschil tussen de op grond van artikel 6.3.1, eerste lid, bedoelde bijdrage en het totaal van de op grond van artikel 6.3.2 dan wel met toepassing van artikel 6.3.4 ingehouden of geïnde bijdrage, met inachtneming van het achtste tot en met het tiende lid van artikel 6.3.1 en het tweede lid van dit artikel, door het Cvz wordt vastgesteld en verrekend, geïnd of uitgekeerd. In het derde lid is, voor zover van belang, bepaald dat Cvz (…) het verschil uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de beschikking niet in Nederland belastbaar inkomen onherroepelijk zijn geworden, definitief vaststelt.

4.2. Appellante is niet belastingplichtig in Nederland. De NiNbi-beschikking over 2007 is van 22 juni 2010. De beslistermijn voor de definitieve vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2007 eindigt op grond van artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling op 3 februari 2011. Door pas bij besluit van 19 mei 2011 over het zorgjaar 2007 de definitieve jaarafrekening vast te stellen, heeft Cvz de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling opgenomen termijn met 3,5 maand overschreden.

4.3. Aan de overschrijding van deze termijn kan echter niet de consequentie worden verbonden dat de definitieve jaarafrekening - als een onbevoegd door Cvz genomen besluit - behoort te worden vernietigd. Cvz ontleent de bevoegdheid om een definitieve jaarrekening vast te stellen aan artikel 69 van de Zvw en artikel 6.3.3, derde lid van de Regeling stelt slechts regels over de wijze waarop Cvz die bevoegdheid dient uit te oefenen. Noch in de Regeling noch in de toelichting daarop staat expliciet te lezen dat de bevoegdheid van Cvz bij overschrijding van de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling bedoelde termijn komt te vervallen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat geen sprake is van een

verval- of verjaringstermijn.

4.4. Dit laat onverlet dat bij de definitieve vaststelling van een jaarafrekening na het verstrijken van de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling bedoelde termijn, rekening behoort te worden gehouden met het rechtszekerheidsbeginsel. Van schending van dit beginsel is in dit geval geen sprake, nu appellante wist of redelijkerwijs kon weten dat er nog een definitieve vaststelling van de jaarafrekening zou plaatsvinden en de termijnoverschrijding niet van zodanig lange duur is dat zij hiermee redelijkerwijs geen rekening meer behoefde te houden. Uit artikel 6.3.3 van de Regeling vloeit immers voort dat na een eventuele inhouding - in een geval als dat van appellante - nog een voorlopige en een definitieve afrekening door Cvz zullen worden vastgesteld. Voorts moet worden vastgesteld dat Cvz appellante op 21 november 2008 een voorlopige jaarafrekening 2007 heeft toegezonden, waaruit zij kon afleiden dat de vaststelling nog niet definitief was en waarmee zij zelf - op basis van haar inkomensgegevens - de hoogte van de buitenlandbijdrage en daarmee van het nog openstaande bedrag kon berekenen. Verder is niet gebleken dat appellante door de termijnoverschrijding van 3,5 maand nadeel heeft geleden, nu Cvz heeft afgezien van het in rekening brengen van wettelijke rente. Dat de buitenlandbijdrage pas 3,5 jaar na afloop van het zorgjaar 2007 definitief is vastgesteld, is niet alleen veroorzaakt door de met 3,5 maand vertraagde besluitvorming van Cvz, maar tevens door het gegeven dat Cvz voor het maken van de definitieve jaarafrekening van de deels inkomensafhankelijke buitenlandbijdrage op grond van de Regeling moet uitgaan van het door de inspecteur van de Belastingdienst vastgestelde wereldinkomen (de NiNbi-beschikking).

4.5. Uit 4.2, 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012.

(getekend) G.M.T. Berkel-Kikkert

(getekend) P.J.M. Crombach