Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
11-4634 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Negatieve beoordeling. Wat de inhoud van de beoordeling betreft heeft de rechtbank een juiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. Waar het gaat om negatieve waarderingen moet de commandant aannemelijk maken dat die niet op onvoldoende gronden berusten. Met de rechtbank wordt geconcludeerd dat de commandant daarin is geslaagd. Aan de negatieve waardering zijn concrete voorbeelden ten grondslag gelegd, die de beoordeling (ruimschoots) onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4634 MAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 juni 2011, 10/1267 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de plaatsvervangend commandant Pantser Infanterie Bataljon (commandant)

Datum uitspraak 13 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft W.A. Herweijer hoger beroep ingesteld.

Namens de commandant is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door Herweijer. De commandant was vertegenwoordigd door mr. L.M. Ju.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was vanaf begin 2008 werkzaam als sergeant-majoor bij het commando Landstrijdkrachten in de functie van stafonderofficier sectie 1 bataljon/AFD/NBC. In februari 2008 en op 30 september 2008 zijn met hem functie-introductiegesprekken gevoerd, waarin aandachtspunten zijn genoemd. Op 24 maart 2009 is met appellant een functioneringsgesprek gevoerd, waarin eveneens een aantal aandachtspunten zijn genoemd. Op 8 mei 2009 is met appellant een gesprek gevoerd over een aantal incidenten, geconstateerd is dat verbeteringen nodig waren.

1.2. Op 24 juli 2009 is een beoordeling opgemaakt door kapitein [naam kapitein] over het functioneren van appellant in het tijdvak van 1 augustus 2008 tot 22 juli 2009, met als totaal oordeel: onvoldoende. De beoordeling is door majoor [naam majoor], zijnde de tweede beoordelaar, nadat appellant daar bedenkinigen tegen in had gebracht, ongewijzigd vastgesteld op 8 september 2009. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 januari 2010 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant opnieuw betoogd dat hij door de negatieve beoordeling is overvallen, aangezien was afgesproken dat in september 2009 een functioneringsgesprek zou worden gehouden zodat hij daarna aan zijn verbeterpunten kon werken. Die kans is appellant nu ontnomen. Op het oordeel onvoldoende was appellant in het geheel niet voorbereid. In de tweede plaats heeft appellant - ook opnieuw - de animositeit tussen appellant en adjudant H benadrukt, welke adjudant in de visie van appellant invloed heeft gehad op de beoordelaars. De beoordeling is daarom met vooringenomenheid tot stand gekomen.

Voor het overige heeft appellant verwezen naar al hetgeen hij in bezwaar en beroep al heeft ingebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft in beroep een zeer groot aantal formele gronden met betrekking tot de totstandkoming van de in geding zijnde beoordeling naar voren gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak uitvoerig besproken en verworpen. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen daarover van de rechtbank en volstaat dan ook met daarnaar te verwijzen.

4.2. Wat er zij van de stelling van appellant dat hij door (het tijdstip van) de beoordeling werd overvallen, dit maakt niet dat die beoordeling daarom onzorgvuldig of anderszins onrechtmatig zou zijn. Een beoordeling wordt, volgens artikel 15 van de Beleidsregel functioneringsgesprekken en beoordelingen defensie, onder meer opgemaakt indien de commandant dit wenselijk vindt. Verder is in artikel 14, derde lid, van deze Beleidsregel vastgelegd dat in het beoordelingstijdvak in beginsel één functioneringsgesprek plaatsvindt. Vast staat dat aan deze laatste voorwaarde is voldaan, te weten op 24 maart 2009. Uit het verslag van dat gesprek blijkt dat destijds verbeterpunten onder de aandacht van appellant zijn gebracht. Dat is ook gebeurd op 8 mei 2009. Dat dit laatste gesprek geen officieel functioneringsgesprek was, brengt niet mee dat hetgeen daar is besproken buiten beschouwing moet blijven, zoals door appellant betoogd. Daarvoor bestaat geen enkele grond. Toen de commandant in het verloop van 2009 geen zichtbare verbeteringen bespeurde was zijn wens een beoordeling op te maken en vast te stellen over het functioneren geenszins onredelijk of misplaatst. Daarvoor is niet nodig dat dit appellant ruim van tevoren wordt aangekondigd. Appellant kon in elk geval sedert maart 2009 geacht worden ervan op de hoogte te zijn wat er aan zijn functioneren schortte, en was vanaf die tijd ruimschoots in de gelegenheid om werk te maken van zijn verbeterpunten.

4.3. Appellant heeft ook in hoger beroep aandacht gevraagd voor de animositeit tussen hem en adjudant H. De samenwerkingsproblemen tussen appellant en adjudant H komen inderdaad uit de gedingstukken naar voren. Niet is vast te stellen dat H, die aanvankelijk de leidinggevende was van appellant en het eerste functie-introductiegesprek heeft gevoerd, een doorslaggevende invloed heeft gehad op de totstandkoming van de beoordeling van appellant. De aanwezigheid van H op de hoorzitting naar aanleiding van het bezwaar van appellant is daarvoor onvoldoende. Dat H de beoordelaars op onoirbare wijze zou hebben beïnvloed is dus niet aannemelijk gemaakt. Zoals de rechtbank al overwoog blijkt de beweerde bevooroordeling ook niet uit de inhoud van de beoordeling, die opzichzelf bezien genuanceerd is te noemen. Van belang is verder dat de beoordeling is opgemaakt door twee beoordelaars, Martens en Wijn.

4.4. Wat de inhoud van de beoordeling betreft heeft de rechtbank een juiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. Waar het gaat om negatieve waarderingen moet de commandant aannemelijk maken dat die niet op onvoldoende gronden berusten. Met de rechtbank wordt geconcludeerd dat de commandant daarin is geslaagd. Aan de negatieve waardering zijn concrete voorbeelden ten grondslag gelegd, die de beoordeling (ruimschoots) onderbouwen. Uit die voorbeelden blijkt dat appellant de taken waar het om ging niet steeds goed heeft uitgevoerd en bij herhaling te kort schoot in zijn functioneren. Appellant heeft blijkens de stukken ook een deel van de geuite kritiek erkend. De commandant heeft aldus voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant ten tijde hier van belang niet functioneerde op het niveau van een sergeant-majoor, ook wat betreft houding en gedrag. Appellant toonde te weinig initiatief, had aansporing nodig, was niet flexibel, moeilijk om mee samen te werken, riep weerstanden op en maakte fouten bij zijn werk. Hij is er niet in geslaagd dat alles te weerleggen. De stelling van appellant dat hij zich in de beoordeling niet herkent en dat is nagelaten de goede aspecten van zijn functioneren te benadrukken, brengt daarin geen verandering. Evenmin kan doorslaggevend zijn dat appellant, die inmiddels elders te werk is gesteld, voor zijn functioneren aldaar (naar eigen zeggen) wel een goede beoordeling heeft gekregen. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten.

5. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) N.M. van Gorkum

sg