Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
11-4664 ZVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling definitieve jaarafrekening van de buitenlandbijdrage. Aan de overschrijding van de in de Regeling neergelegde termijn kan niet de consequentie worden verbonden dat de definitieve jaarafrekening - als een onbevoegd door Cvz genomen besluit - behoort te worden vernietigd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen sprake is van een verval- of verjaringstermijn. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel is in dit geval geen sprake, nu appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat er nog een definitieve vaststelling van de jaarafrekening zou plaatsvinden en de termijnoverschrijding niet van zodanig lange duur is dat hij hiermee redelijkerwijs geen rekening meer behoefde te houden. Voorts is niet gebleken dat appellant door de termijnoverschrijding nadeel heeft geleden, nu Cvz heeft afgezien van het in rekening brengen van wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4664 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2011, 10/3432 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

College voor zorgverzekeringen (Cvz)

Datum uitspraak: 12 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. N.M. Op den Kamp hoger beroep ingesteld.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2012. Appellant is niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant woonde in 2006 in [B.] en ontving een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2. Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland (België), ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage). De hoogte van de bijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde zorgkosten in het woonland gedeeld door de gemiddelde uitgaven voor zorg per verzekerde in Nederland (de woonlandfactor). Appellant heeft zich met ingang van 1 januari 2006 met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat hij in België is ingeschreven en dat de kosten van medische zorg ten laste van Nederland komen.

1.3. Bij besluit van 18 juni 2008 heeft de Belastingdienst het Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) van appellant voor het jaar 2006 vastgesteld. De Belastingdienst heeft bij besluit van 1 april 2008 de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2006 opgelegd.

1.4. Bij besluit van 8 maart 2010 heeft Cvz aan appellant de definitieve jaarafrekening over 2006 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage is vastgesteld op een bedrag van € 3435,99.

1.5. Bij besluit van 12 juli 2010 (bestreden besluit) heeft Cvz het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 maart 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Onder verwijzing naar artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling zorgverzekering (Regeling) heeft appellant naar voren gebracht dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, omdat de definitieve jaarafrekening buiten de daartoe gestelde termijn is vastgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 6.3.3, eerste lid, van de Regeling is, voor zover van belang, bepaald dat het verschil tussen de op grond van artikel 6.3.1, eerste lid, bedoelde bijdrage en het totaal van de op grond van artikel 6.3.2 dan wel met toepassing van artikel 6.3.4 ingehouden of geïnde bijdrage, met inachtneming van het achtste tot en met het tiende lid van artikel 6.3.1 en het tweede lid van dit artikel, door het Cvz wordt vastgesteld en verrekend, geïnd of uitgekeerd. In het derde lid is, voor zover van belang, bepaald dat Cvz (…) het verschil uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de beschikking niet in Nederland belastbaar inkomen onherroepelijk zijn geworden, definitief vaststelt.

4.2. De NiNbi-beschikking over 2006 dateert van 18 juni 2008 en de aanslag inkomstenbelasting van de Belastingdienst over 2006 dateert van 1 april 2008. De beslistermijn voor de definitieve vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2006 eindigt op grond van artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling op 31 januari 2009. Door bij besluit van

8 maart 2010 over het zorgjaar 2006 de definitieve jaarafrekening vast te stellen, heeft Cvz de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling opgenomen termijn van zes maanden met 13 maanden overschreden.

4.3. Aan de overschrijding van deze termijn kan niet de consequentie worden verbonden dat de definitieve jaarafrekening - als een onbevoegd door Cvz genomen besluit - behoort te worden vernietigd. Cvz ontleent de bevoegdheid om een definitieve jaarafrekening vast te stellen aan artikel 69 van de Zvw en artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling stelt slechts regels over de wijze waarop Cvz die bevoegdheid dient uit te oefenen. Noch in de Regeling noch in de toelichting daarop staat expliciet te lezen dat de bevoegdheid van Cvz bij overschrijding van de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling bedoelde termijn komt te vervallen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat geen sprake is van een verval- of verjaringstermijn.

4.4. Dit laat onverlet dat bij de definitieve vaststelling van een jaarafrekening na het verstrijken van de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling bedoelde termijn, rekening behoort te worden gehouden met het rechtszekerheidsbeginsel. Van schending van dit beginsel is in dit geval geen sprake, nu appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat er nog een definitieve vaststelling van de jaarafrekening zou plaatsvinden en de termijnoverschrijding niet van zodanig lange duur is dat hij hiermee redelijkerwijs geen rekening meer behoefde te houden. Uit artikel 6.3.3 van de Regeling vloeit immers voort dat na een eventuele inhouding een voorlopige en een definitieve afrekening door Cvz zal worden vastgesteld. Cvz heeft appellant bij brief van 16 april 2007 nog meegedeeld dat er nog geen voorlopige jaarafrekening over 2006 kan worden verzonden, maar dat de jaarafrekening zal worden gebaseerd op het inkomen dat de Belastingdienst vaststelt. Ter zitting van de Raad is namens Cvz bevestigd dat er nadien ook geen voorlopige jaarafrekening aan appellant is verzonden, doch dat op 8 maart 2010 de definitieve jaarafrekening 2006 is toegezonden. De Raad is van oordeel dat appellant uit de brief van 16 april 2007 kon afleiden dat er een definitieve vaststelling van de jaarafrekening over 2006 zou volgen. Voorts is niet gebleken dat appellant door de termijnoverschrijding nadeel heeft geleden, nu Cvz heeft afgezien van het in rekening brengen van wettelijke rente.

4.5. Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) R. Scheffer