Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6056

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
11-5586 ZVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling buitenlandbijdrage. De aan appellant opgelegde buitenlandbijdrage kan niet worden aangemerkt als een premie voor een ziektekostenverzekering als de AWBZ maar als een wettelijk geregelde sociale bijdrage voor de kosten van een deel van het Nederlandse zorgstelsel. De opbrengsten ervan worden toegevoegd aan het Zorgverzekeringsfonds, waaruit Nederland de kosten in verband met de Zvw op grond van internationale verdragen betaalt. Omdat appellant in Duitsland woont, is hij niet verzekerd ingevolge de AWBZ buiten Nederland. Appellant heeft in Duitsland recht op zorg overeenkomstig het woonlandpakket, waarbij de dekking (en hiermee aldus het soort zorg) wordt bepaald op basis van de Vo 1408/71. Door toepassing van de woonlandfactor draagt appellant niet bij voor (AWBZ-) zorg die niet behoort tot het Duitse pakket van sociale verzekering. Geen sprake van een verval- of verjaringstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/55

Uitspraak

11/5586 ZVW, 12/2058 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

30 augustus 2011, 10/3198 (aangevallen uitspraak 1) en van 23 maart 2012, 11/4839 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

College voor zorgverzekeringen (Cvz)

Datum uitspraak: 12 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Cvz heeft verweerschriften ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2012. Appellant is verschenen. Cvz heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant woonde in 2006 en 2007 in [B.]. Hij ontving een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioen van de Stichting Pensioenbelangen Xeroz uit Nederland.

1.2. Met ingang van 1 januari 2006 is in Nederland de Zorgverzekeringswet (Zvw) in werking getreden. Ingevolge de Zvw is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde in de zin van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 Vo 1408/71) aangemerkt en heeft hij recht op zorg in zijn woonland, ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is een bijdrage (buitenlandbijdrage) verschuldigd die wordt ingehouden op het Nederlandse pensioen. De hoogte van de buitenlandbijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde zorgkosten in het woonland gedeeld door de gemiddelde uitgaven voor zorg per verzekerde in Nederland (de woonlandfactor). Appellant heeft zich met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats, [bevoegde orgaan].

1.3. Bij besluit van 7 maart 2010 heeft Cvz aan appellant de definitieve jaarafrekening over 2006 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage is vastgesteld op een bedrag van € 4.060,46.

1.4. Bij besluit van 16 juni 2010 (bestreden besluit 1) heeft Cvz het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 maart 2010 ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 9 juni 2011 heeft Cvz aan appellant de definitieve jaarafrekening over 2007 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage is vastgesteld op een bedrag van € 4.088,49.

1.6. Bij besluit van 13 september 2011 (bestreden besluit 2) heeft Cvz het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juni 2011 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de termijn van artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling Zorgverzekering (Regeling) geen verjarings- of vervaltermijn is, zodat Cvz bevoegd blijft om de jaarafrekening vast te stellen. Voorts is geoordeeld dat met het verschil in verstrekkingen tussen bijvoorbeeld Duitsland en Nederland voldoende rekening wordt gehouden door middel van de toepassing van de woonlandfactor op de te betalen bijdrage. Daarnaast heeft de rechtbank benadrukt dat de heffing van de bijdrage ingevolge de Zvw in de Nederlandse regelgeving grond vindt en is verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 augustus 2011, LJN BR4251.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Hij heeft te kennen gegeven dat hij alleen een bijdrage verschuldigd is, indien hij ook gebruik kan maken van zorg in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) in zijn woonland. In dit verband wijst appellant op de situatie van Turkse en Marokkaanse Nederlanders die wel aanspraak kunnen maken op AWBZ-hulp in hun woonland. Appellant stelt dat er sprake is van discriminatie tussen Nederlanders die in een EU-land wonen en Nederlanders die in Turkije of Marokko wonen. Voorts wordt betwist dat de woonlandfactor het verschil in zorgniveau tussen Duitsland en Nederland dekt. Appellant heeft ten slotte gesteld dat het overtreden van de in artikel 6.3.3. van de Regeling neergelegde termijn ten onrechte zonder consequenties blijft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor een weergave van de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 26 augustus 2009, LJN BJ5891, en naar het arrest van het Hof van 14 oktober 2010 inzake Van Delft e.a. (C-345/09), LJN BO1908.

Buitenlandbijdrage

4.2. Ten aanzien van de beroepsgrond van appellant dat hij ten onrechte een bijdrage heeft betaald nu hij in Duitsland geen gebruik kan maken van AWBZ-zorg verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak van 3 oktober 2012, LJN BX9228. De aan appellant opgelegde buitenlandbijdrage kan niet worden aangemerkt als een premie voor een ziektekostenverzekering als de AWBZ maar als een wettelijk geregelde sociale bijdrage voor de kosten van een deel van het Nederlandse zorgstelsel. De opbrengsten ervan worden toegevoegd aan het Zorgverzekeringsfonds, waaruit Nederland de kosten in verband met de Zvw op grond van internationale verdragen betaalt. Omdat appellant in Duitsland woont, is hij niet verzekerd ingevolge de AWBZ buiten Nederland. Dat zorgverzekeraar Agis op basis van een overeenkomst met zorgbedrijven onder bepaalde omstandigheden aan (tijdelijk) in Turkije, Marokko of Suriname verblijvende Nederlanders zorg verleent ingevolge de AWBZ maakt dit niet anders. Van een met appellant vergelijkbare situatie is geen sprake. Anders dan in de situatie van appellant betreft het aanspraken ontleend aan de AWBZ ten behoeve van Nederlanders, die tijdelijk in het buitenland verblijven en hun woonplaats in Nederland hebben behouden.

Woonlandfactor

4.3. Ten aanzien van de grond van appellant dat de woonlandfactor het verschil in zorg tussen Duitsland en Nederland niet dekt stelt de Raad vast dat appellant in Duitsland recht heeft op zorg overeenkomstig het woonlandpakket, waarbij de dekking (en hiermee aldus het soort zorg) wordt bepaald op basis van de Vo 1408/71. Met de woonlandfactor wordt vervolgens tot uitdrukking gebracht in welke mate de in dit woonlandpakket opgenomen zorg zich verhoudt tot de in het Nederlandse pakket (Zvw en AWBZ) opgenomen zorg. Door toepassing van de woonlandfactor draagt appellant niet bij voor (AWBZ-) zorg die niet behoort tot het Duitse pakket van sociale verzekering. De Raad heeft eerder in zijn uitspraak van 26 augustus 2009, LJN BJ6362, overwogen dat bij de toepassing van de woonlandfactor geen sprake is van een overduidelijke onevenredigheid bij de ongelijke behandeling van bijdrageplichtigen, zoals appellant, en in Nederland woonachtige premieplichtigen. De Raad heeft in deze uitspraak voorts geoordeeld dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel en evenmin met het verbod van willekeur.

Termijn

4.4.1. In artikel 6.3.3, eerste lid, van de Regeling is, voor zover van belang, bepaald dat het verschil tussen de op grond van artikel 6.3.1, eerste lid, bedoelde bijdrage en het totaal van de op grond van artikel 6.3.2 dan wel met toepassing van artikel 6.3.4 ingehouden of geïnde bijdrage, met inachtneming van het achtste tot en met het tiende lid van artikel 6.3.1 en het tweede lid van dit artikel, door Cvz wordt vastgesteld en verrekend, geïnd of uitgekeerd. In het derde lid is, voor zover van belang, bepaald dat Cvz (…) het verschil uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de beschikking niet in Nederland belastbaar inkomen onherroepelijk zijn geworden, definitief vaststelt.

4.4.2. De NiNbi-beschikking over 2006 dateert van 25 juni 2009 en over 2007 van 22 juni 2010. De beslistermijn voor de definitieve vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2006 eindigt op grond van artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling op 6 februari 2010. Door bij besluit van 1 augustus 2010 over het zorgjaar 2006 de definitieve jaarafrekening vast te stellen, heeft Cvz de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling opgenomen termijn met bijna zes maanden overschreden. De beslistermijn voor de definitieve vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2007 eindigt op 4 februari 2011. Door bij besluit van 9 juni 2011 over het zorgjaar 2007 de definitieve jaarafrekening vast te stellen heeft Cvz de voornoemde termijn van zes maanden met ruim vier maanden overschreden.

4.4.3. Aan de overschrijding van de termijn in de zorgjaren 2006 en 2007 kan niet de consequentie worden verbonden dat de definitieve jaarafrekeningen - als onbevoegd door Cvz genomen besluiten - behoren te worden vernietigd. Cvz ontleent de bevoegdheid om een definitieve jaarafrekening vast te stellen aan artikel 69 van de Zvw en artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling stelt slechts regels over de wijze waarop Cvz die bevoegdheid dient uit te oefenen. Noch in de Regeling noch in de toelichting daarop staat expliciet te lezen dat de bevoegdheid van Cvz bij overschrijding van de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling bedoelde termijn komt te vervallen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat geen sprake is van een verval- of verjaringstermijn.

4.4.4. Dit laat onverlet dat bij de definitieve vaststelling van een jaarafrekening na het verstrijken van de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling bedoelde termijn, rekening behoort te worden gehouden met het rechtszekerheidsbeginsel. Van schending van dit beginsel is in het onderhavige geval geen sprake, nu appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat er nog een definitieve vaststelling van de jaarafrekeningen 2006 en 2007 zou plaatsvinden en de termijnoverschrijding niet van zodanig lange duur is dat hij hiermee redelijkerwijs geen rekening meer behoefde te houden. Uit artikel 6.3.3 van de Regeling vloeit immers voort dat na een eventuele inhouding - in een geval als dat van appellant - nog een voorlopige en een definitieve afrekening door Cvz zullen worden vastgesteld. Voorts moet worden vastgesteld dat Cvz appellant op 3 mei 2007 een voorlopige jaarafrekening 2006 en op 21 november 2008 een voorlopige jaarafrekening 2007 heeft toegezonden, waaruit hij kon afleiden dat de vaststelling over 2006 en 2007 nog niet definitief was en waarmee hij zelf - op basis van zijn inkomensgegevens - de hoogte van de buitenlandbijdrage en daarmee van het nog openstaande bedrag kon berekenen. Voorts is niet gebleken dat appellant door de termijnoverschrijdingen nadeel heeft geleden nu Cvz heeft afgezien van het in rekening brengen van wettelijke rente. Dat de buitenlandbijdrage over 2006 pas ruim drie jaar na afloop van het zorgjaar 2006 en pas ruim drie jaar na afloop van het zorgjaar 2007 definitief is vastgesteld, is niet alleen veroorzaakt door de met respectievelijk bijna zes maanden en ruim vier maanden vertraagde besluitvorming van Cvz, maar tevens door het gegeven dat Cvz voor het maken van de definitieve jaarafrekening van de deels inkomensafhankelijke buitenlandbijdrage op grond van de Regeling moet uitgaan van het door de inspecteur van de Belastingdienst vastgestelde wereldinkomen (de NiNbi-beschikking).

4.5. Tenslotte is de Raad van oordeel dat het beroep van appellant op discriminatie tussen ingezetenen en niet ingezetenen en het arrest van het Hof inzake Van Delft e.a. van 14 oktober 2010 eveneens niet slaagt. De door het Hof in dat arrest bedoelde mogelijke discriminatie tussen ingezetenen en niet-ingezetenen had betrekking op het overgangsrecht voor niet-ingezetenen die op 31 december 2005 een particuliere verzekering hadden bij een Nederlandse verzekeringsmaatschappij. Op appellant was dit overgangsrecht niet van toepassing, nog daargelaten dat de Raad, na onderzoek, in zijn uitspraak van onder meer 13 december 2011, LJN BU7125, onder meer heeft geoordeeld dat van een dergelijk ongerechtvaardigd verschil in behandeling geen sprake is geweest.

4.6. Uit de voorgaande rechtsoverwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) R. Scheffer