Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6015

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
11-6161 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering materiële schadevergoeding voor verlies van inboedel/huisraad, voor (her)inrichtingskosten, verhuiskosten, opslagkosten alsmede woonkosten voor de tijd dat appellant nog niet over een nieuwe woning beschikt en weigering immateriële schadevergoeding, onder meer wegens gederfd woongenot. Onrechtmatig besluit. Er is sprake van processuele en materiële connexiteit. Aansluiting zoeken bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. De door appellant opgevoerde materiële kosten hebben zonder uitzondering betrekking op vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Dit brengt mee dat, naast de reeds toegekende wettelijke rente, in dit geval voor zelfstandige vergoeding van deze kosten geen plaats is. Niet aannemelijk is gemaakt dat de door appellant gestelde strafrechtelijke vervolging verband houdt met het onrechtmatige besluit, zodat reeds daarom geen grond voor immateriële schadevergoeding bestaat. Voor het overige is zeker niet ondenkbaar dat bij appellant onvrede of psychisch onbehagen is ontstaan door de onrechtmatige intrekking van zijn bijstandsuitkering. Appellant is er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij daar zodanig onder heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer dan wel op andere persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6161 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 september 2011, 10/3093 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak 11 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.L. van Lookeren Campagne, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken 10/7062 WWB, 11/5179 WWB, 11/5180 WWB en 11/5181 WWB, plaatsgevonden op 20 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Lookeren Campagne. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.W. Punter. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 19 april 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 8 april 2005 is de bijstand ingetrokken per 1 april 2005. Na bezwaar en (hoger) beroep heeft de Raad bij uitspraak van 18 juni 2008, LJN BD5291, samengevat, geoordeeld dat de intrekking geen stand kan houden en is aan het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Bij besluit van 11 augustus 2008 is aan appellant alsnog bijstand verleend over de periode van 1 april 2005 tot en met 11 mei 2006. Vanaf 12 mei 2006 is hem geen bijstand verleend omdat onduidelijkheid bestond rond zijn toenmalige woonsituatie. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 28 oktober 2009 ongegrond verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is nadien ingetrokken.

1.2. In september 2008 heeft het college aan appellant een bedrag van circa € 11.000,-- aan bijstand over de periode van 1 april 2005 tot en met 11 mei 2006 nabetaald. Bij vonnis van de kantonrechter van de rechtbank van 5 februari 2009 is de huurovereenkomst tussen appellant en de Woonstichting Haag Wonen inzake de woning en berging op het adres [adres 1] te [plaatsnaam] per 1 maart 2009 ontbonden en is appellant veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Bij besluit van 15 mei 2009 heeft het college appellant bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 1.230,78 in de vorm van een geldlening voor opslag en vervoer van zijn huisraad. Op 18 mei 2009 is de woning aan de [adres 1] ontruimd.

1.3. Appellant heeft het college bij brief van 19 augustus 2009, aangevuld bij brieven van 15 oktober 2009 en 9 november 2009, om schadevergoeding verzocht. Met verwijzing naar de in 1.1 genoemde uitspraak van de Raad heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de onrechtmatige stopzetting van de betaling van de bijstand tot gevolg heeft gehad dat hij de verschuldigde huurpenningen niet meer kon voldoen en daardoor zijn woning heeft moeten ontruimen. Appellant heeft, mede gezien de bij zijn aanvraag gevoegde bijlagen met een overzicht van schadeposten, vergoeding verzocht voor verlies van zijn inboedel/huisraad, voor (her)inrichtingskosten, verhuiskosten, opslagkosten alsmede woonkosten voor de tijd dat hij nog niet over een nieuwe woning beschikt. Tevens heeft appellant immateriële schadevergoeding, onder meer wegens gederfd woongenot, gevorderd en aanspraak gemaakt op vertragingsschade ingevolge artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

1.4. Bij besluit van 9 december 2009 heeft het college het verzoek om vergoeding van rente wegens vertraagde uitbetaling van de bijstand over de periode van 1 april 2005 tot en met 11 mei 2006 toegewezen tot een bedrag van € 1.569,24. De rest van de vordering heeft het college afgewezen.

1.5. Bij besluit van 29 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 december 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat en voor zover van belang, overwogen dat bij het in 1.2 genoemde vonnis van de kantonrechter ook de op 21 april 2006 bestaande huurachterstand een rol heeft gespeeld en het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering berust. Voor zover de ontbinding van de huurovereenkomst mede het gevolg is geweest van de intrekking van de bijstand over de periode van 1 april 2006 (lees: 2005) tot en met 11 mei 2006 heeft appellant volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende schade. Het onvermijdelijke verlies van zijn inboedel/huisraad heeft appellant niet aannemelijk gemaakt en evenmin dat dit verlies als een in redelijkheid aan het college toe te rekenen gevolg van de intrekking van de bijstand moet worden aangemerkt. Ten aanzien van de (her)inrichtingskosten is vooropgesteld dat niet valt in te zien dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt of zouden kunnen worden begroot nu appellant ook ten tijde van de behandeling van de zaak door de rechtbank desgevraagd nog niet over nieuwe woonruimte bleek te beschikken. Overigens is ten aanzien van deze laatste kosten alsmede over de gestelde schadeposten van verhuizing, opslag en huur/onderdak overwogen dat deze kosten zijn terug te voeren op de vertraagde uitbetaling van bijstand en dat deze kosten forfaitair zijn vastgesteld ter hoogte van de wettelijke rente over de te laat betaalde bijstand. Ten aanzien van de eerst na het bestreden besluit gestelde leningen, die hij zou hebben moeten afsluiten bij particulieren, heeft de rechtbank geoordeeld dat deze buiten de reikwijdte van het te toetsen besluit vallen. De gestelde immateriële schade wegens gederfd woongenot als gevolg van afgesloten water- en energievoorzieningen acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Daarnaast heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de intrekking van de bijstand zodanig heeft geleden dat sprake was van, voor schadevergoeding in aanmerking komend, geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het BW.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 8 maart 2011, LJN BP8145) is een beslissing over de vergoeding van beweerdelijk geleden schade een zelfstandig schadebesluit, indien deze schade het gevolg is van een besluit waartegen bezwaar en beroep mogelijk is (materiële connexiteit). Voorts is het vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 14 oktober 2003, LJN AR7781) dat het (hoger) beroep tegen een zelfstandig schadebesluit wordt beoordeeld door de bestuursrechter die bevoegd is te oordelen over het (hoger) beroep tegen het schadeveroorzakende besluit (processuele connexiteit).

4.2. Appellant heeft aan zijn inleidend verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade de onrechtmatigheid van het (primaire) besluit van 8 april 2005 ten grondslag gelegd. Daarmee is sprake van processuele en gestelde materiële connexiteit.

4.3. Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als het onderhavige zoekt de Raad aansluiting bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (CRvB 28 juni 2011, LJN BR0611).

4.4. Niet in geschil is dat het besluit van 8 april 2005 onrechtmatig is. Het college heeft om die reden de wettelijke rente vergoed over de nabetaalde bijstand.

4.5. De Raad begrijpt het standpunt van appellant in hoger beroep aldus dat alle door hem gestelde schadeposten voortvloeien uit het onrechtmatig bevonden besluit van 8 april 2005 (gehandhaafd bij besluit van 17 november 2005) tot intrekking van bijstand per 1 april 2005 en dat de geleden schade bij lange na niet wordt gecompenseerd door de nabetaling en de daarover vergoede wettelijke rente.

4.6. De Raad is allereerst met de rechtbank van oordeel dat, waar het hier een zelfstandig schadebesluit betreft, uitsluitend ter beoordeling voorligt of de tot aan het nemen van het bestreden besluit gestelde schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen. Niet gebleken is dat de rechtbank ten onrechte andere gestelde schadeposten buiten bespreking heeft gelaten.

4.7. De Raad onderschrijft voorts hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld omtrent de afzonderlijke schadeposten en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Voor zover van de gestelde materiële schadeposten al kan worden aangenomen dat zij zich hebben voorgedaan en/of dat zij in toereikende mate verband houden met het onrechtmatig bevonden besluit tot intrekking, wijst de Raad erop dat naar vaste rechtspraak (CRvB 7 april 2009, LJN BI0588) de gevolgen van een onrechtmatige intrekking van bijstand in beginsel zijn terug te voeren op de vertraagde uitbetaling van de bijstandsuitkering, althans voor zover het gaat om kosten die gemaakt zijn als gevolg van het tijdelijk gemis aan geld door die intrekking. De door appellant opgevoerde materiële kosten hebben zonder uitzondering betrekking op vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Dit brengt mee dat, naast de reeds toegekende wettelijke rente, in dit geval voor zelfstandige vergoeding van deze kosten geen plaats is. Dat in dit geval niet van een tijdelijk gemis aan geld kan worden gesproken nu appellant over een vrij lange periode zonder inkomen heeft gezeten, doet aan evengenoemd principe niet af. Daar komt bij dat appellant deze periode in beginsel had kunnen bekorten door opnieuw bijstand aan te vragen. Dat hij dit ook heeft gedaan maar dat dit (ook na in rechte onaantastbare besluiten daaromtrent) niet tot verlening van bijstand heeft geleid, moet voor zijn rekening en risico worden gelaten en kan in ieder geval niet aan het college worden toegerekend.

4.8. Bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak van de Raad ook zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (CRvB 21 maart 2008, LJN BC9247). Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene (CRvB 5 januari 2010, LJN BL0342). In het licht hiervan is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit (CRvB 27 augustus 2008, LJN BF1067).

4.9. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat hij door toedoen van het college een strafrechtelijke vervolging heeft moeten ondergaan, dat sprake is geweest van gederfd woongenot en dat hij zich in zijn goede eer en naam voelt aangetast. Daarbij is verwezen naar verklaringen van zijn huisarts uit 2009 en 2011. Niet aannemelijk is gemaakt dat de door appellant gestelde strafrechtelijke vervolging verband houdt met het onrechtmatige besluit van 8 april 2005, zodat reeds daarom geen grond voor immateriële schadevergoeding bestaat. Voor het overige is zeker niet ondenkbaar dat bij appellant onvrede of psychisch onbehagen is ontstaan door de onrechtmatige intrekking van zijn bijstandsuitkering. Appellant is er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij daar zodanig onder heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer dan wel op andere persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het BW. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van zijn huisarts, waarin in algemene zin is verwoord dat appellant al jaren bekend is met psychische klachten en dat hij sinds 2005 onder medische behandeling is in verband met psychosomatische klachten, daartoe onvoldoende zijn.

4.10. Uit wat is overwogen in 4.3 tot en met 4.9 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2012.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) V.C. Hartkamp

SG