Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6007

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
11-1341 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing sollicitatie. Voor de opvatting van appellant dat de geselecteerde kandidaat niet (in voldoende mate) voldeed aan de functie-eisen bieden de beschikbare gegevens geen steun. De opsomming in de vacaturetekst onder het kopje opleiding en ervaring is een combinatie van harde functie-eisen en gewenste kwaliteiten. Het algemeen bestuur heeft in redelijkheid de conclusie kunnen trekken dat de geselecteerde kandidaat in vergelijking met de andere kandidaten het meest geschikt voor de geambieerde functie was, zodat appellant daarvoor niet in aanmerking kwam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1341 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 december 2010, 10/3397 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het algemeen bestuur van de voorziening tot samenwerking Politie Nederland (algemeen bestuur)

Datum uitspraak 13 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Welter hoger beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Welter. Het algemeen bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door K.M. de Vries.

OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft gesolliciteerd naar de functie van Senior Productmanager binnen de Unit Meldkamersystemen (geambieerde functie). De sollicitatiecommissie (commissie) heeft gesprekken gevoerd met zes interne kandidaten. Op 22 februari 2010 is aan appellant meegedeeld dat de keuze voor de invulling van de vacature niet op hem is gevallen. Het algemeen bestuur heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 augustus 2010 (bestreden besluit). Daaraan ligt - samengevat - ten grondslag dat meerdere kandidaten voldeden aan de functie-eisen en dat de commissie heeft gekeken naar de aspecten die in de brief van de commissie van 27 april 2010 zijn genoemd. De functie-eisen zijn niet losgelaten. De commissie heeft tijdens het gesprek een onvoldoende beeld gekregen van de motivatie van appellant om te solliciteren. Het algemeen bestuur ziet niet in dat de commissie zich bij zijn keuze heeft laten leiden door andere overwegingen. De stelling dat de geselecteerde kandidaat niet voldoet aan de functie-eisen is niet nader onderbouwd en is bovendien niet juist.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant - evenals in beroep - gesteld dat hij wel, maar de geselecteerde kandidaat niet voldeed aan de functie-eisen, en dat de reden voor de afwijzing gezocht moet worden in tegenwerking binnen de organisatie. Het algemeen bestuur heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat de beslissing van een bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure het resultaat is van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen, waarbij het bestuursorgaan een grote beoordelingsvrijheid toekomt. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend. Deze toetsing is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen.

4.2. Het algemeen bestuur is bij zijn besluitvorming afgegaan op het advies van de commissie. De commissie achtte zes interne sollicitanten, onder wie appellant, in beginsel geschikt voor de geambieerde functie. Op basis van de gevoerde selectiegesprekken gaf de commissie de voorkeur aan een andere kandidaat dan appellant. In een brief van 27 april 2010 heeft de commissie de redenen uiteen gezet voor de afwijzing van appellant. Daaruit komt naar voren dat de commissie voorafgaand aan de gesprekken zes belangrijke aspecten heeft geformuleerd: opleidingsniveau, senioriteit/uitstraling, communicatie, productmanagementervaring, motivatie en ontwikkelmogelijkheden. Om de kandidaten zo objectief mogelijk te beoordelen is aan hen een casus met vragen voorgelegd. De commissie heeft over appellant kritische kanttekeningen geplaatst op enkele van de genoemde aspecten, waaronder de communicatie en motivatie. Bij de bespreking van de casus viel de geselecteerde kandidaat in vergelijking met de andere kandidaten op door zijn visie op de functie, de wijze van communiceren en door zijn uitstraling en enthousiasme.

4.3. Voor de opvatting van appellant dat de geselecteerde kandidaat niet (in voldoende mate) voldeed aan de functie-eisen bieden de beschikbare gegevens geen steun. Daarbij is van belang dat, zoals het algemeen bestuur ter zitting heeft toegelicht, de opsomming in de vacaturetekst onder het kopje opleiding en ervaring een combinatie is van harde functie-eisen en gewenste kwaliteiten. Dat de geselecteerde kandidaat pas twee jaar in vaste dienst is sluit niet uit dat hij beschikt over voldoende relevante werkervaring. Dat betekent dat de commissie bij de beoordeling van de geselecteerde kandidaat niet ten onrechte is toegekomen aan het meewegen van de onder 4.2 genoemde aspecten.

4.4. Op grond van de bevindingen van de commissie heeft het algemeen bestuur in redelijkheid de conclusie kunnen trekken dat de geselecteerde kandidaat in vergelijking met de andere kandidaten het meest geschikt voor de geambieerde functie was, zodat appellant daarvoor niet in aanmerking kwam. Het algemeen bestuur heeft met de brief van 27 april 2010 voldoende inzicht geboden in de redenen voor de gemaakte keuze. Gezien de beperkte toetsing die hier aan de orde is levert het feit dat zich onder de gedingstukken niet een curriculum vitae van de geselecteerde kandidaat bevindt geen motiveringsgebrek op dat tot vernietiging van het bestreden besluit dient te leiden. Bij deze stand van zaken is er geen basis voor het standpunt van appellant dat hij binnen de organisatie werd tegengewerkt en daarom tijdens zijn sollicitatie geen eerlijke kans heeft gehad.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2012.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) R. Scheffer

JL