Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
11-866 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Meerdere periodes. Alleen ten aanzien van de periode augustus 2008 tot juli 2009 is toereikende grondslag voor de conclusie dat betrokkene en appellante een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Schending inlichtingenverplichting. Terugvorderingsbeleid. Dat appellante ook wordt geconfronteerd met een terugvordering van haar Anw pensioen door de Sociale Verzekeringsbank maakt niet dat dit leidt tot uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het college van (verdere) mede terugvordering op grond van de WWB had moeten afzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/866 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 december 2010, 10/1032 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

Datum uitspraak: 4 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken met reg. nrs.11/706 WWB, 11/707 WWB, 11/708 WWB, 11/709 WWB en 12/1757 ANW plaatsgevonden op 23 oktober 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ter Meulen-Mouwen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.T.M. Brouns, mr. V.P.A. Dassen en R. Ivanovic. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is de behandeling van de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Het college heeft aan [betrokkene] ([betrokkene]) en [E.F.] ([E.F.]), dochter van appellante, over de periode van 1 juni 1998 tot 12 augustus 2008 bijstand verleend, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Over de periode van 12 augustus 2008 tot 7 juli 2009 ontving [betrokkene] bijstand naar de norm voor een alleenstaande. [betrokkene] heeft volgens de gegevens van de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) over de periode van 1 juni 1998 tot 12 augustus 2008 ingeschreven gestaan op het adres [adres 1] 14 te Roermond ([adres 1]). Vanaf 12 augustus 2008 staat hij ingeschreven op het adres [adres 2] 54F te Roermond ([adres 2]).

1.2. Appellante ontvangt vanaf 1977 een pensioen ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). Zij staat sinds 1992 in de GBA ingeschreven op het adres [adres 3] 32 te Roermond ([adres 3]).

1.3. Naar aanleiding van een anonieme tip dat [betrokkene] al vijftien tot twintig jaar een gezamenlijke huishouding voert met appellante op het adres [adres 3] heeft de sociale recherche Roermond een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [betrokkene] verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, hebben observaties plaatsgevonden, is bij diverse instanties informatie opgevraagd, hebben huiszoekingen plaatsgevonden in de woningen op de adressen [adres 1], [adres 2] en [adres 3], is een getuige gehoord en zijn [betrokkene], [E.F.], appellante en [D.E.] als verdachten verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal van 23 oktober 2009.

1.4. Bij besluit van 28 oktober 2009 heeft het college de bijstand van [betrokkene] over de periode van 1 juni 1998 tot 7 juli 2009 herzien en ingetrokken. Bij besluit van 31 mei 2010 heeft het college de bezwaren van [betrokkene] tegen het besluit van 28 oktober 2009 gegrond verklaard in die zin dat de hoogte van de bruto verstrekte bijstand over de periode van 1 juni 1998 tot 7 juli 2009 is gewijzigd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat [betrokkene] met appellante over de periode van 1 juni 1998 tot 7 juli 2009 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd op het adres [adres 3] 32waarvan hij aan het college geen melding heeft gedaan. Als gevolg hiervan heeft [betrokkene] over de periode van 1 juni 1998 tot 12 augustus 2008 ten onrechte bijstand naar de norm voor gehuwden met [E.F.] ontvangen en heeft hij over de periode van 12 augustus 2008 tot 7 juli 2009 ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ontvangen.

1.5. Bij besluit van 2 november 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 juni 2010, heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juni 1998 tot 7 juli 2009 van [betrokkene] teruggevorderd.

2.1. Bij besluit van 11 december 2009 heeft het college met toepassing van artikel 59, eerste en derde, van de WWB, de over de periode van 1 juni 1998 tot 7 juli 2009 ten behoeve van[betrokkene] gemaakte kosten van bijstand tevens van appellante teruggevorderd.

2.2. Bij besluit van 24 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 11 december 2009 ongegrond verklaard. Hierbij heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juni 1998 tot 12 augustus 2008 vastgesteld op € 125.634,60 netto en € 155.818,39 bruto, over de periode 12 augustus 2008 tot 1 januari 2009 € 3.950,06 netto en € 4.107,07 bruto en over de periode 1 januari 2009 tot 7 juli 2009 € 4.683,95 netto.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de betrokkene de verplichtingen als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de WWB niet is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden. Artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) bevatte een gelijkluidende bepaling.

4.2. Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellante die persoon is, is vereist dat zij in de in geding zijnde periode met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB heeft gevoerd. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding. De Abw bevatte gelijkluidende bepalingen.

4.3. In zijn uitspraak van heden in de zaken met reg.nrs. 11/706 WWB, 11/707 WWB, 11/708 WWB en 11/709 WWB heeft de Raad geoordeeld dat de bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche onvoldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat [betrokkene] over de periode van 1 juni 1998 tot 12 augustus 2008 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellante. Appellante en [betrokkene] hebben tegenover de sociale recherche verklaard dat [betrokkene] in deze periode vaak bij appellante in de woning aanwezig is geweest, maar dat hij geen hoofdverblijf in de woning heeft gehad. Uit de zich in het dossier bevindende verzekeringspolissen, facturen en offerte voor tuinaanleg als ook het gegeven dat [betrokkene] gebruik heeft gemaakt van de computer en internetverbinding van appellante, kan niet worden geconcludeerd dat [betrokkene] gedurende de periode van 1 juni 1998 tot 12 augustus 2008 hoofdverblijf heeft gehad op het adres [adres 3]. Reeds hierom niet kan worden gesproken van een gezamenlijke huishouding.

4.4. Uit 4.3 volgt dat appellante over de periode van 1 juni 1998 tot 12 augustus 2008 niet kan worden aangemerkt als een persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan [betrokkene] rekening had moeten worden gehouden. Dit betekent dat de over deze periode ten behoeve van [betrokkene] gemaakte kosten van bijstand niet mede van appellante kunnen worden teruggevorderd.

4.5. In de in 4.3 genoemde uitspraak van heden heeft de Raad voorts geoordeeld dat de bevindingen van het onderzoek wel een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en [betrokkene] over de periode van 12 augustus 2008 tot 7 juli 2009 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het adres [adres 3]. Op 7 juli 2009 hebben huiszoekingen plaatsgevonden in de woningen op de adressen [adres 3] en [adres 2]. Hierbij is [betrokkene] in de vroege ochtend in de woning van appellante aangetroffen alwaar hij had overnacht. In haar woning was een door [betrokkene] ingerichte (slaap-)kamer aanwezig waarin zijn persoonlijke spullen zijn aangetroffen. Verder zijn van [betrokkene] aangetroffen: bankafschriften, kleding, waaronder ondergoed en sokken en persoonlijke benodigdheden zoals toiletartikelen en zijn dagelijkse medicatie zijn ook in de woning aangetroffen. Appellante en [betrokkene] hebben tegenover de sociale recherche verklaard dat [betrokkene] appellante, samen met haar dochters, al heeft verzorgd vanaf dat zij ziek is geworden in september 2008. [betrokkene] heeft verder verklaard dat het klopt dat hij het merendeel van de week bij appellante in de woning is, dat hij in haar woning een eigen kamertje heeft ingericht en toegeëigend en beschikt over een eigen sleutel van haar woning. Hij houdt de woning aan de [adres 2] aan omdat hij daar gaat wonen als appellante weer helemaal genezen is. Uit de verklaringen van appellante en [betrokkene] blijkt verder dat appellante de was van [betrokkene] verzorgt, dat zij meerdere keren per week gezamenlijk eten, dat [betrokkene] appellante verzorgd heeft toen zij ernstig ziek was en dat de boodschappen over en weer worden gedaan waarbij niet gekeken wordt of iemand mogelijk iets meer heeft betaald. Uit het vorenstaande volgt dat aan de criteria van gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg is voldaan.

4.6. Het college was op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd de ten aanzien van [betrokkene] gemaakte kosten van bijstand over de periode van 12 augustus 2008 tot 7 juli 2009 mede van appellante terug te vorderen. [betrokkene] heeft met appellante een gezamenlijke huishouding gevoerd waarvan [betrokkene] in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geen melding heeft gedaan aan het college. Bij een juiste toepassing van de wet zouden de middelen van appellante in aanmerking zijn genomen.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de mede terugvordering over de periode van 1 juni 1998 tot 12 augustus 2008, in strijd is genomen met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het betreft de medeterugvordering over de periode van 1 juni 1998 tot 12 augustus 2008. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 11 december 2009 te herroepen voor zover het betreft de medeterugvordering over de periode van 1 juni 1998 tot 12 augustus 2008 en het bedrag van de medeterugvordering over de periode van 12 augustus 2008 tot 1 januari 2009 te bepalen op € 3.950,06 netto en € 4.107,07 bruto en over de periode van 1 januari 2009 tot 7 juli 2009 op € 4.683,95 netto.

4.8. Appellante voert nog aan dat de mede terugvordering onevenredig is in verhouding tot de te dienen uitgangspunten van de hier van toepassing zijnde beleidsregel. Zij wijst er hierbij op dat het aan haar verstrekte nabestaandenpensioen eveneens wordt teruggevorderd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.9. Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid tot (mede-)terugvordering hanteert het college de beleidsregel herziening, terugvordering en verhaal Wwb 2009 (beleidsregel). Overeenkomstig artikel 3 en 7 van de beleidsregel heeft het college het nadeelbedrag van appellante teruggevorderd. In artikel 23 van de beleidsregel is bepaald dat het college handelt in overeenstemming met de beleidsregel, tenzij dat naar het oordeel van het college voor een of meer betrokkenen gevolgen zou hebben die wegens dringende redenen of bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen uitgangspunten, conform artikel 4:84 van de Abw. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Dat appellante ook wordt geconfronteerd met een terugvordering van haar Anw pensioen door de Sociale Verzekeringsbank maakt niet dat dit leidt tot uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het college van (verdere) mede terugvordering op grond van de WWB had moeten afzien. Bovendien heeft appellante bij de invordering de bescherming van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen de aangevallen uitspraak gegrond en vernietigt het besluit van 24 juni 2010;

- herroept het besluit van 11 december 2009 voor zover het betreft de mede terugvordering over de periode 1 juni 1998 tot 12 augustus 2008;

- bepaalt het bedrag van de medeterugvordering over de periode van 12 augustus 2008 tot 1 januari 2009 op € 3.950,06 netto en € 4.197,07 netto en over de periode van 1 januari 2009 tot 7 juli 2009 op € 4.683,95 netto;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 24 juni 2010;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 874,-- in beroep;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 874,-- in hoger beroep te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.J. Govaers en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.M. Tason Avila

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.