Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5961

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
10-1077 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW- en ZW-uitkering. Boete. Geen melding gemaakt van activiteiten als zelfstandige. ZZP-handleiding. Beleid is op consistente wijze toegepast. Verwijtbaarheid overtreden inlichtingenplicht. De opgelegde boete is een evenredige sanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/65

Uitspraak

10/1077 WW, 10/1078 WW, 10/1079 ZW, 10/6639 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 januari 2010, 08/1079, 08/2031 en 08/2157 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 12 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 23 september 2010 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Cornelisse. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop en mr. A. Ruijs.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is het onderzoek heropend. Op verzoek van de Raad heeft het Uwv advies gevraagd aan de zogenoemde Bezwaaradviescommissie ZZP. Het Uwv heeft het advies van deze commissie en nog enkele andere stukken ingezonden, waarop appellant heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 14 november 2012. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 april 2002 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) op basis van een arbeidspatroon van gemiddeld 40 arbeidsuren per week. Nadat appellant te kennen had gegeven als zelfstandige met een kwekerij te willen beginnen is hem met ingang van 1 november 2003 gedurende een periode van drie maanden de gelegenheid gegeven te onderzoeken of dat voornemen kans van slagen heeft, de zogenoemde oriëntatieperiode. Per 8 mei 2006 is hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Met ingang van 1 december 2006 is die uitkering beëindigd en is de WW-uitkering heropend. Vanwege het bereiken van de maximum uitkeringstermijn is de WW-uitkering met ingang van 24 januari 2007 beëindigd.

1.2. Uit een bestandsvergelijking met de Belastingdienst is gebleken dat appellant over het jaar 2004 zelfstandigenaftrek had opgevoerd. Appellant is in verband daarmee in 2007 drie keer verhoord door het Uwv. Naar aanleiding daarvan zijn twee rapporten opgesteld. Op basis van de bevindingen uit die rapporten heeft het Uwv bij besluit van 19 oktober 2007 de

WW-uitkering over de periode van 1 januari 2004 tot 29 januari 2007 herzien. Daarbij heeft het Uwv gesteld dat appellant met ingang van 1 januari 2004 het werknemerschap voor 23,5 uur per week had verloren en dat de uitkering met dat aantal uren per week diende te worden herzien. Bij een tweede besluit van dezelfde datum heeft het Uwv de in verband daarmee onverschuldigd betaalde WW-uitkering van € 25.723,80 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 24 oktober 2007 heeft het Uwv de ZW-uitkering ingaande 8 mei 2006 verlaagd. Bij een tweede besluit van 24 oktober 2007 heeft het Uwv de in verband met die herziening onverschuldigd betaalde ZW-uitkering van € 3.898,67 teruggevorderd.

1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Bij besluit van 23 mei 2008 heeft het Uwv die bezwaren ongegrond verklaard. Het Uwv heeft overwogen dat appellant van zijn werkzaamheden als zelfstandige in 2004 geen melding heeft gemaakt op de zogenoemde werkbriefjes en dat onder die omstandigheden wordt uitgegaan van de geaccepteerde opgave aan de Belastingdienst, wat wil zeggen dat de omvang van de werkzaamheden is bepaald op gemiddeld 23,5 uur per week. Appellant heeft daardoor het werknemerschap in het kader van de WW verloren in een omvang van 23,5 uur per week waardoor een recht op WW-uitkering resteerde van 16,5 uur. Vanaf 1 januari 2004 tot en met 28 januari 2007 is volgens het Uwv dan ook deels WW- en ZW-uitkering onverschuldigd betaald. Het Uwv heeft verder overwogen dat appellant zelf verantwoordelijk is voor het juist aanleveren van de gegevens bij het voor hem werkzame administratiekantoor en voor de juistheid van de aangifte bij de Belastingdienst. Om die reden volgde het Uwv appellant dan ook niet in diens stelling dat hij het voor hem werkzame administratiekantoor geen opdracht had gegeven om over 2004 zelfstandigenaftrek te claimen. Een dringende reden om niet terug te vorderen was tenslotte volgens het Uwv niet gebleken.

1.4. Bij besluit van 18 juli 2008 heeft het Uwv appellant een boete van € 2.269,- opgelegd in verband met schending van de mededelingsverplichting Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is bij besluit van 23 oktober 2008 ongegrond verklaard. Voor de overwegingen die aan dat besluit ten grondslag lagen heeft het Uwv verwezen naar het besluit van 23 mei 2008.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 23 mei 2008 en 23 oktober 2008. Deze beroepen zijn bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden aangenomen dat de door appellant over 2004 als zelfstandige verrichte werkzaamheden gemiddeld ongeveer 23,5 uur per week bedroegen. De omstandigheid dat appellant de Belastingdienst heeft verzocht om de zelfstandigenaftrek over 2004 ongedaan te maken, betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat appellant niet als zelfstandige gewerkt zou hebben.

3. Appellant heeft in hoger beroep dit oordeel van de rechtbank bestreden. Appellant heeft erop gewezen dat hij tijdens zijn werkloosheid werd begeleid door het re-integratiebedrijf SagEnn en dat de medewerkers van dit bedrijf volledig op de hoogte waren van zijn feitelijke situatie, zodat bij hem dan ook de gerechtvaardigde verwachting aanwezig was dat het Uwv volledig op de hoogte zou zijn dat hij, voordat hij werkloos was, reeds werkzaamheden verrichtte als zelfstandige. Appellant heeft er voorts op gewezen dat hij via een van zijn bedrijven sinds jaar en dag loon- en dienstverbandgegevens aan het Uwv leverde. Hij heeft gesteld dat hij er door het Uwv nooit op is gewezen dat hij de uren waarin hij werkzaam was, dus ook de indirecte uren, diende op te geven. Appellant heeft verder gesteld dat hij door de besluiten financieel zwaar wordt getroffen. Tevens heeft hij gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden.

4.1. Uit een onderzoek van de Nationale ombudsman naar de handhaving door het Uwv in het project “Samenloop zelfstandigenaftrek en WW-uitkering” is gebleken dat in een aantal gevallen de informatievoorziening aan zelfstandigen gebrekkig of onjuist is geweest. Op instigatie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in maart 2010 het zogeheten project herbeoordeling ZZP-dossiers van start gegaan. In dat kader is op 16 juli 2010 een handleiding opgesteld met als bijlage toetsingscriteria die bij de herbeoordeling van eerder genomen besluiten tot herziening, terug- en invordering van WW-uitkering en tot het opleggen van een boete worden gehanteerd (bijlage bij Kamerstukken II, 32500-XV, nr. 5, hierna: Handleiding).

4.2. In het geval van appellant heeft deze herbeoordeling door de zogenoemde toetsingscommissie ZZP geleid tot het in de rubriek Procesverloop genoemde besluit van 23 september 2010. Appellant heeft kenbaar gemaakt zich ook met dit nieuwe besluit van 23 september 2010 niet te kunnen verenigen.

4.3. Op 28 maart 2012 heeft de Bezwaaradviescommissie ZZP geadviseerd de herziening, de terugvordering en de boete te handhaven. Het Uwv heeft op 29 maart 2012 te kennen gegeven geen aanleiding te zien om af te wijken van dit advies en daarom het besluit van 23 september 2010 te handhaven.

4.4. Op 19 oktober 2012 heeft appellant een brief van 18 januari 2010 van de inspecteur Belastingdienst/Randmeren ingezonden, waaruit blijkt dat de aanslag Inkomstenbelasting Premie Volksverzekeringen 2004 van appellant is herzien in verband met het ongedaan maken van de zelfstandigenaftrek. De inspecteur heeft daarbij opgemerkt dat, nu het hier om een navordering gaat, er geen inhoudelijke toets heeft plaatsgevonden van de door appellant aangedragen argumenten. Bij brief van 1 november 2012 heeft appellant nogmaals benadrukt dat hij, door het aanleveren van loon- en dienstverbandgegevens als werkgever, het Uwv volledig heeft geïnformeerd zodat geen sprake is geweest van schending van de inlichtingenplicht.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. In deze gedingen zijn de volgende bepalingen, zoals deze golden ten tijde hier in geding, van belang:

WW

Artikel 8

(…)

2. Een persoon, wiens werknemerschap is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, herkrijgt bij beëindiging van die werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer, voor zover die beëindiging plaatsvindt binnen een tijdvak van anderhalf jaar nadat die werkzaamheden een aanvang hebben genomen.

(…)

Artikel 20

1. Het recht op uitkering eindigt:

a. voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest;

(…)

2. Voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering terzake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd.

(…)

Artikel 21

1. Indien het recht op uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a (…), geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid heeft opgehouden te bestaan, herleeft het recht op uitkering met inachtneming van (…) de in artikel 8 (…) genoemde termijnen (…), voor zover geen nieuw recht op uitkering ingevolge dit hoofdstuk bestaat.

(…)

Artikel 22a

1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet het Uwv een dergelijk besluit of trekt dat in:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;

b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

(…)

2. Indien daarvoor dringende reden aanwezig zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 25

De werknemer is verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op de uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

(…)

Artikel 27a

1. Indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 25 van deze wet of artikel 28, of 29, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt het Uwv hem een boete op van ten hoogste € 2.269.

(…)

4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv besluiten van het opleggen van een boete af te zien.

Artikel 36

1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a (…) onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uwv teruggevorderd.

(…)

4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

ZW

Artikel 15

1. Voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet recht bestaat wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.

Artikel 30a

1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en terzake van weigering van ziekengeld, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt hij dat in

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 31 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld;

b. indien anderszins het ziekengeld ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

(…)

Artikel 31

1. De verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld en tevens loon, inkomsten uit arbeid anders dan in dienstbetrekking of ouderdomspensioen ontvangt, is verplicht hiervan vóór de uitkering van ziekengeld op door het Uwv in zijn reglement te bepalen wijze mededeling te doen.

(…)

Artikel 33

1. Het ziekengeld dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel (…), 30a, (…) onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uwv teruggevorderd.

(…)

4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen

Artikel 12

(…)

4. Indien (…) de uitkering op grond van de WW in verband met niet volledig arbeidsurenverlies is vastgesteld, wordt het ZW-dagloon, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, vastgesteld op 100/70 van het bedrag van de WW-uitkering per dag over de vier weken voorafgaande aan de dag van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid.

(…)”.

5.2. De onder 4.1 genoemde Handleiding bevat een aantal algemene regels op grond waarvan het Uwv eerder in het kader van de WW genomen besluiten ten gunste van belanghebbenden corrigeert. Welke groepen van personen voor herbeoordeling met toepassing van die regels in aanmerking komen is in de bijlage omschreven. Ingevolge die regels vindt geen correctie plaats indien de belanghebbende op de zogeheten werkbriefjes of anderszins geen melding heeft gemaakt van gewerkte uren als zelfstandige. Correctie vindt wel plaats indien de belanghebbende uren als zelfstandige aan het Uwv heeft opgegeven en aan de wijze waarop het Uwv informatie heeft gegeven over uren die hij moest opgeven, in redelijkheid het vertrouwen kon ontlenen dat hij kon volstaan met de opgave van de direct productieve uren. In geval van twijfel wordt dan het voordeel van de twijfel aan de belanghebbende gegeven. Dit uitgangspunt is onder 2.2 van de Handleiding verder uitgewerkt.

5.3. In het voorliggende geval heeft het Uwv met het besluit van 23 september 2010 opnieuw beslist over de herziening van de WW-uitkering van appellant, over de terugvordering en over de boete. Anders dan in de besluiten van 23 mei 2008 en 23 oktober 2008 is daarbij ook getoetst aan de in de Handleiding geformuleerde voorwaarden om van toepassing van de artikelen 22a, 27a en 36 van de WW af te zien maar geen aanleiding gezien om appellant in zijn bezwaren tegemoet te komen. In lijn met zijn opvatting over herziening, terugvordering van WW-uitkering heeft het Uwv na heroverweging ook de herziening en terugvordering van de ZW-uitkering van appellant gehandhaafd. Het besluit van 23 september 2010 is een nieuw besluit op de tegen de besluiten van 19 oktober 2007 en 18 juli 2008 gemaakte bezwaren, dat de door de rechtbank beoordeelde besluiten van 23 mei 2008 en 23 oktober 2008 vervangt (zie de uitspraken van de Raad van 15 maart 2011, LJN BP7501, 11 januari 2012, LJN BW9085 en 20 juni 2012, LJN BW9585). Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de besluiten van 23 mei 2008 en 23 oktober 2008 in stand zijn gelaten, moeten worden vernietigd. Nu het besluit van 23 september 2010 niet geheel tegemoet komt aan appellant, maakt dit besluit, gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, deel uit van het geding.

5.4. Naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd zal eerst worden nagegaan of in het geval van appellant voldaan is aan de in de WW opgenomen toepassingsvoorwaarden voor de in geding zijnde herziening en terugvordering van WW-uitkering.

5.5. Appellant heeft bij de aanvraag van de WW-uitkering geen melding gemaakt van activiteiten als zelfstandige. Gedurende het jaar 2004 heeft hij op de werkbriefjes de vraag of hij werkzaamheden als zelfstandige verricht steeds ontkennend beantwoord. Van het verrichten van andere werkzaamheden heeft appellant evenmin melding gemaakt. Appellant heeft over 2004 zelfstandigenaftrek geclaimd, wat het vermoeden rechtvaardigt dat hij gedurende dat jaar 1225 uur werkzaam is geweest, wat neerkomt op 23,5 uur per week. Het feit dat de inspecteur Belastingdienst/Randmeren achteraf op verzoek van appellant de zelfstandigenaftrek over 2004 ongedaan heeft gemaakt doet geen afbreuk aan dat vermoeden, nu aan dat besluit geen inhoudelijke beoordeling ten grondslag heeft gelegen. Appellant heeft verklaard dat het ging om werk in zijn kwekerij en in een door hem opgezette zorgboerderij, wat volgens appellant samen één bedrijf was. Over de verdere inhoud, omvang en het tijdsbeslag van die werkzaamheden, over de verwevenheid van de diverse bedrijven die volgens het register van de Kamer van Koophandel door appellant worden gedreven en over de daarmee samenhangende werkzaamheden als administratie en acquisitie heeft appellant niet willen verklaren. Dat zijn boekhouder de belastingaangifte zonder zijn toestemming zou hebben gedaan komt voor rekening van appellant. De omstandigheid dat niet vaststaat dat appellant ook voor de jaren 2005 tot en met 2007 zelfstandigenaftrek heeft geclaimd, betekent niet dat de tot 23,5 uren per week beperkt gebleven herziening in 2005 en (afgezien van de ZW-periode) ook daarna tot een groter WW-recht zou moeten leiden. Uit artikel 8, tweede lid, van de WW en de daarmee samenhangende rechtspraak vloeit immers voort dat een gedeeltelijk geëindigd recht op WW-uitkering niet kan herleven indien niet binnen een tijdvak van anderhalf jaar nadat de werkzaamheden als zelfstandige een aanvang hebben genomen, aan die werkzaamheden een einde is gekomen. Aan die voorwaarde is hier niet voldaan.

5.6. Voor zover de stelling van appellant er op neerkomt dat hij de betreffende werkzaamheden reeds verrichtte voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid en dat bij hem dus rekening zou moeten worden gehouden met zogenoemde vrij te laten uren, wordt appellant daarin niet gevolgd nu appellant geen onderbouwing voor de juistheid van die stelling heeft geleverd. De inschrijving door appellant in 1989 en 1993 bij de Kamer van Koophandel van een veeteeltbedrijf en van een kwekerij is niet voldoende om aan te nemen dat hij in de periode van 26 weken voorafgaand aan het intreden van arbeidsurenverlies op 1 april 2002 werkzaamheden als zelfstandige combineerde met de werkzaamheden die hij in die periode als werknemer heeft verricht. Op het op 2 april 2002 door hem ondertekende aanvraagformulier heeft hij met nee geantwoord op de vraag of hij andere werkzaamheden had en geen arbeidsuren als zelfstandige vermeld over een periode van 27 weken voorafgaand aan de datum van ontslag. Hetzelfde geldt voor het in een zeer laat stadium door appellant gestelde over de zorg voor zijn zusters, vader en het beheer van de erfenis. Een onderbouwing daarvoor is niet gegeven terwijl appellant van deze activiteiten nooit melding aan het Uwv heeft gedaan.

5.7. Het Uwv heeft dan ook op goede gronden geconcludeerd dat het bevoegd was om met ingang van 1 januari 2004 tot herziening van het recht op WW-uitkering naar 16,5 uur per week over te gaan.

5.8. In artikel 36, eerste lid, van de WW is terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald dwingend voorgeschreven. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv ingevolge artikel 36, vierde lid, van de WW besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale consequenties die een terugvordering voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen in vorenbedoelde zin.

5.9. In verband met de door appellant gestelde tekortschietende informatieverstrekking van de kant van het Uwv is het volgende van belang.

5.10. Het in de Handleiding met bijlage opgenomen beleid laat zien dat het Uwv ook in gevallen waarin dringende redenen in de zin van de wet niet aanwezig zijn geheel of gedeeltelijk afziet van herziening en terugvordering. Dat beleid moet daarom in zoverre worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad volgt uit het karakter van het in de Handleiding opgenomen buitenwettelijk beleid dat de aanwezigheid en de toepassing daarvan door de bestuursrechter als gegeven moet worden aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of dat beleid op consistente wijze is toegepast.

5.11. Appellant heeft gedurende de gehele periode dat hij WW-uitkering ontving geen melding gemaakt van gewerkte uren als zelfstandige. Nog daargelaten dat SagEnn geen onderdeel uitmaakt van het Uwv en informatie aldaar door appellant verstrekt niet zonder meer als gedaan tegenover het Uwv kan worden aangemerkt, volgt uit de gegevens die door SagEnn werden verstrekt niet dat het Uwv op de hoogte was van de aanvang van de werkzaamheden, reeds omdat appellant de start daarvan ook niet aan SagEnn had gemeld. Dat appellant anderszins door het Uwv verkeerd is voorgelicht volgt niet uit de stukken. Voor zover appellant betoogt dat zijn casemanager hem had moeten inlichten over het opgeven van gewerkte uren, wordt appellant niet in die stelling gevolgd, nu voor de casemanager J. Koopman daartoe geen aanleiding bestond aangezien het met appellant gevoerde overleg betrekking had op diens oriëntatieperiode en niet op de start van de werkzaamheden als zelfstandige.

5.12. De informatie waarover het Uwv beschikte en die betrekking had op appellant als werkgever vond plaats in een ander kader dan dat van de WW of de ZW en liet onverlet dat appellant als uitkeringsgerechtigde aan zijn inlichtingenplicht moest voldoen. Bovendien had de door appellant als werkgever verstrekte informatie geen betrekking op de omvang van de door appellant als zelfstandige verrichte werkzaamheden.

5.13. Gelet op de inhoud van het in de Handleiding opgenomen beleid en het onder 5.11 en 5.12 overwogene is het besluit van 23 september 2010 in overeenstemming met dat beleid voor zover daarbij de besluiten van 19 oktober 2007 en 18 juli 2008 zijn gehandhaafd.

5.14. Over de door het Uwv gehandhaafde boete wordt het volgende overwogen. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat het enkele feit dat appellant de inlichtingenplicht van artikel 25 van de WW heeft overtreden niet voldoende is voor het opleggen van een boete. Daartoe is ook vereist dat appellant ter zake van die overtreding subjectief een verwijt kan worden gemaakt. Bovendien zal, bij verwijtbaarheid, de boete moeten worden afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden van het geval (CRvB 11 maart 2009, LJN BH7780 en CRvB 27 mei 2010, LJN BM5914). In dit geval is van belang dat appellant tijdens de looptijd van de uitkeringen zijn werkzaamheden steeds heeft verzwegen. Anders dan door appellant gesteld blijkt nergens uit dat hij kon menen dat hij de omvang van zijn werkzaamheden niet behoefde op te geven. De informatie die appellant aan het Uwv heeft verstrekt, nadat uit de bestandsvergelijking met de Belastingdienst was gebleken dat werkzaamheden waren verricht, is zeer summier gebleven. Ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden heeft appellant aangevoerd dat hij financieel zwaar wordt getroffen, maar zoals ook ter zitting is vastgesteld, is daarvoor geen onderbouwing gegeven. Om welke reden het door appellant thans feitelijk gescheiden leven van zijn echtgenote mee zou moeten brengen dat de boete zou moeten worden gematigd is evenmin onderbouwd. Gelet op de aard, de ernst en de omvang van de overtreding, de omstandigheden waaronder deze is gepleegd en op de omstandigheden waarin appellant verkeert, is een boete van € 2.269,- zoals door het Uwv opgelegd een evenredige sanctie. De boete kan dan ook in stand blijven.

5.15. Uit hetgeen onder 5.5 tot en met 5.14 is overwogen, volgt dat het beroep tegen het besluit van 23 september 2010 ongegrond moet worden verklaard.

5.16. Tegen de aan de herziening van de WW-uitkering gerelateerde verlaging van het ziekengeld en tegen de daaruit voortgevloeide terugvordering van ZW-uitkering zijn geen afzonderlijke nog te bespreken gronden aangevoerd.

5.17. De conclusie is dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen gegrond verklaren en de besluiten van 23 mei 2008 en 23 oktober 2008 vernietigen. Het beroep tegen het besluit van 23 september 2010 zal ongegrond worden verklaard.

6. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. De voor verleende rechtsbijstand te vergoeden kosten worden begroot op € 966,- in beroep en op € 1.092,50 in hoger beroep, totaal € 2.058,50,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen de besluiten van 23 mei 2008 en 23 oktober 2008 gegrond en vernietigt deze besluiten;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 23 september 2010 ongegrond;

-veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.058,50 te betalen aan de griffier van de Raad;

-bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun en als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) I.J. Penning

JvC