Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5957

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
10/6978 WAJONG + 11/3598 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een Wajong-uitkering toe te kennen. Er zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appelante hebben onderschat. Met de uitgebrachte arbeidskundige rapportages is voldoende onderbouwd dat de geduide functies passend zijn voor appellante. Geen schending van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Afwijzing verzoek tot schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6978 WAJONG, 11/3598 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 13 december 2010, 10/877 (aangevallen uitspraak 1) en van 9 mei 2011, 10/1236 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 12 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2012. Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1. Appellante, geboren [in] 1986, ontving sinds 8 augustus 2004 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante is met ingang van 20 maart 2006 voor 24 uur per week in dienst getreden bij McDonald’s te Groningen. Daarnaast werkte zij twee uur per dag bij een schoonmaakbedrijf. Dit heeft ertoe geleid dat de Wajong-uitkering met ingang van 20 maart 2006 niet meer volledig werd uitbetaald. Appellante heeft haar werk niet voortgezet omdat zij een opleiding wilde gaan volgen. Zoals de rechtbank heeft vastgesteld is de Wajong-uitkering met ingang van 1 september 2006 ingetrokken, omdat appellante naar het buitenland was vertrokken.

2. Op 30 december 2009 heeft appellante, toen zij was teruggekeerd in Nederland, aan het Uwv verzocht de Wajong-uitkering te heropenen.

2.1. Naar aanleiding van deze aanvraag is aan appellante bij besluit van 31 december 2009 met ingang van 1 januari 2010 een voorschot toegekend.

3.1. Bij besluit van 14 april 2010 heeft het Uwv appellante met ingang van 6 juli 2009, de datum van vestiging in Nederland, geen Wajong-uitkering toegekend omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht.

3.2. Bij besluit van 9 augustus 2010 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 april 2010 ongegrond verklaard.

3.3. Bij besluit van 8 september 2010 heeft het Uwv het aan appellante over de periode van 1 januari 2010 tot 1 juli 2010 onverschuldigd betaalde voorschot ten bedrage van € 6.672,03 van haar teruggevorderd.

3.4. Bij besluit van 19 november 2010 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 september 2010 ongegrond verklaard.

4.1. Bij aangevallen uitspraak 1 is het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appelante hebben onderschat. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante geen medische informatie van de behandelend sector heeft ingebracht, waaruit dient te worden afgeleid dat de beperkingen van appelante zwaarder moeten worden ingeschat dan in de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst staat vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is verder met de uitgebrachte arbeidskundige rapportages voldoende onderbouwd dat de geduide functies passend zijn voor appellante.

4.2. Bij aangevallen uitspraak 2 is het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 55, eerste lid, van de Wajong en dat er geen ruimte is voor het aannemen van een dringende reden. Ook de beroepsgrond dat de terugvordering van het voorschot een schending oplevert van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol) heeft de rechtbank niet gehonoreerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Aan de orde is eerst de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in het oordeel dat het Uwv terecht afwijzend heeft beslist op de aanvraag van appellante de Wajong-uitkering te doen herleven. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd - in de kern een herhaling van hetgeen in beroep naar voren is gebracht - vormt geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraken, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. Ook in hoger beroep heeft appellante haar stelling dat zij in verband met haar medische beperkingen aangewezen is op beschermde, gesubsidieerde arbeid in plaats van regulier werk, niet met medische gegevens onderbouwd. Uit de arbeidskundige rapporten blijkt verder genoegzaam dat de aan appellante voorgehouden functies haar belastbaarheid niet overschrijden.

5.2. Dat aan appellante na het primaire besluit van 14 april 2010 nog voorschotten zijn betaald levert, hoewel hier sprake is van onachtzaamheid van de zijde van het Uwv, geen dringende reden op in de zin van artikel 55, vierde lid, van de Wajong. Met verwijzing naar de uitspraak van 18 april 2012, LJN BW4433, stelt de Raad verder vast dat hier geen sprake is van schending van het Eerste Protocol.

5.3. Uit het vorenstaande volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd. Het verzoek tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

6. Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraken;

-wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) D. Heeremans

TM