Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5950

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
11-2584 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig onderzoek verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2584 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 maart 2011, 10/2214 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 12 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. de Kok, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.P. Kolsteren-van Heijst, kantoorgenoot van mr. De Kok.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als meewerkend voorman schoonmaak. Op 17 juli 2009 heeft hij zich ziek gemeld vanwege stress en benauwdheidsklachten en is hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Het dienstverband is beëindigd per 1 oktober 2009. Na onderzoek door een verzekeringsarts op 11 februari 2010 heeft het Uwv bij besluit van

24 februari 2010 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 25 februari 2010 beëindigd omdat hij per die datum geschikt is geacht voor zijn arbeid.

1.2. Bij besluit van 19 april 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 februari 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 14 april 2010 ten grondslag. Deze arts heeft appellant onderzocht, het dossier met onder meer een schrijven van de huisarts van

30 maart 2010 bestudeerd en is tot de conclusie gekomen dat appellant terecht geschikt is geacht voor het werk dat hij verrichtte als meewerkend voorman.

2. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank van 5 november 2010 heeft het Uwv met de inzending van een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 20 december 2010 de maatstaf arbeid nader gemotiveerd. Vanwege dit motiveringsgebrek heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat volgens de bezwaarverzekeringsarts rond de datum in geding weliswaar gesproken kan worden over spanningsklachten maar dat dit niet leidt tot invaliderende psychopathologie. Dat houdt in dat er geen beperkingen zijn ten aanzien van het verrichten van arbeid. De belasting van de functieomschrijving van 20 december 2010 valt binnen de belastbaarheid van appellant, zodat het Uwv de ZW-uitkering op goede gronden heeft beëindigd.

3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald wat hij in beroep heeft aangevoerd. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij nog steeds psychische en daardoor ook lichamelijke klachten ondervindt, als gevolg waarvan hij niet in staat is om te werken. In dit verband heeft appellant wederom verwezen naar een rapportage van de keuring door een psycholoog van AOB Compaz ten behoeve van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Tilburg van 5 december 2005.

4. In hoger beroep is het geschil beperkt tot de vraag of appellant gelet op zijn klachten per 25 februari 2010 geschikt geacht kan worden voor zijn arbeid.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding en op verantwoorde wijze hebben geconcludeerd dat appellant op die datum niet buiten staat was zijn werk te verrichten.

5.3. De in hoger beroep nogmaals overgelegde medische stukken werpen geen ander licht op de zaak. Deze stukken hebben geen betrekking op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding en vormen dus geen reden om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken.

5.4. Nu appellant in hoger beroep geen (nieuwe) medische gegevens heeft overgelegd, volgt uit het hiervoor onder 5.2 en

5.3 overwogene dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012.

(getekend) J.J.T. van den Corput.

(getekend) I.J. Penning.

IvR