Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
11-5998 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. De door appellant naar voren gebrachte medische bevindingen nemen niet weg dat de bezwaarverzekeringsarts op grond van de destijds beschikbare informatie en dus op goede gronden heeft vastgesteld dat appellants gezondheidstoestand op de datum in geding hem niet verhinderde zijn arbeid als bakker te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5998 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 september 2011, 11/2937 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 12 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.R. Klaver, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klaver. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is als bakker werkzaam geweest bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats]. Hij heeft zich op 9 februari 2010 wegens rug- en nekklachten vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is aan hem uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

2. Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 24 januari 2011 beëindigd, omdat appellant op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

3. Bij besluit van 19 april 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 januari 2011 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank beschikten de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts door hun onderzoek, dat de rechtbank voldoende zorgvuldig achtte, over een volledig beeld van de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding. Verder hebben de verzekeringsartsen, gelet op de informatie van de behandelend neuroloog, volgens de rechtbank terecht het standpunt ingenomen dat sprake was van een verbetering van de medisch situatie van appellant.

5.1. Hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. Een verzekeringsarts heeft na onderzoek op 18 januari 2011 mede op grond van informatie van de behandelend sector vastgesteld dat de toestand van appellant, bij wie in 2009 een hernia L4-L5 was vastgesteld, zodanig was verbeterd, dat er geen medisch objectiveerbare belemmering meer bestond om zijn arbeid te verrichten. Bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff heeft na ontvangst van nadere informatie van de behandelend neuroloog in zijn rapport van 18 april 2011 geconcludeerd dat ten aanzien van appellants nekklachten geen duidelijke afwijkingen waren gevonden en dat wat betreft de rugklachten een verminderde bulging ten opzichte van 2009 was gevonden, zodat de medische toestand was verbeterd. Zoals voornoemde bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 5 december 2011 te kennen geeft, werpt de bij aanvullend beroepschrift ingebrachte medische informatie hierop geen ander licht.

5.2. Appellant heeft nadien nog nadere informatie van de behandelend sector ingebracht, waaruit onder meer blijkt dat bij een MRI-CWK op 1 december 2011 geen hernia’s zijn vastgesteld en bij een MRI-LSWK op 22 november 2011 een HNP op niveau L4-L5 is gezien. Deze medische bevindingen nemen niet weg dat de bezwaarverzekeringsarts op grond van de destijds beschikbare informatie en dus op goede gronden heeft vastgesteld dat appellants gezondheidstoestand op de datum in geding hem niet verhinderde zijn arbeid als bakker te verrichten. De Raad verwijst in dit verband naar het van de zijde van het Uwv ingezonden rapport van 16 oktober 2012 van voornoemde bezwaarverzekeringsarts, die terecht opmerkt dat de neurochirurg bij onderzoek geen duidelijke afwijkingen heeft gevonden. Zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft opgemerkt - dit na overleg met een bezwaarverzekeringsarts - bevatten de op 17 oktober 2012 ingezonden brieven medische gegevens die enerzijds geen betrekking hebben op de datum in geding en anderzijds reeds bekend waren bij het Uwv. Ook deze gegevens vormen dus geen reden voor een ander oordeel.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat er geen reden is een nader medisch onderzoek te doen instellen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

QDH