Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5824

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
11-946 WW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:375, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon. Het Uwv heeft de aan appellante betaalde ontslagvergoeding terecht niet aangemerkt als loon in de zin van de Wfsv. De aan appellante betaalde vergoeding is geen beloning voor verrichte arbeid, maar de vergoeding vindt haar oorzaak in het voorheen verricht hebben van die arbeid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/946 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 januari 2011, 10/1467 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 7 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. de Rooij, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek is aan de orde gesteld ter zitting van 11 mei 2012.

Appellante en het Uwv zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. In de vaststellingsovereenkomst tussen appellante en haar voormalige werkgever is op 31 december 2009 overeengekomen dat als gevolg van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2010 een ontslagvergoeding zal worden betaald, die voor 29 januari 2010 door appellante zal zijn ontvangen. Tevens is overeengekomen dat appellante tot het einde van de arbeidsovereenkomst aanspraak op haar salaris en vaste emolumenten behoudt en zij is vrijgesteld van haar werkzaamheden.

2. Bij het bestreden besluit van 18 maart 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 februari 2010 ongegrond verklaard en het voor appellante geldende dagloon, waarnaar de haar toegekende uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) wordt berekend, ongewijzigd vastgesteld op € 112,90. Het dagloon is berekend op basis van het door de werkgever opgegeven loon in de periode van 1 februari 2009 tot 1 februari 2010 (refertejaar).

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het dagloon juist vastgesteld en heeft de in januari 2010 door de werkgever betaalde ontslagvergoeding van € 15.948,- terecht niet bij de berekening van het dagloon betrokken. Omdat tot aan het einde van de dienstbetrekking het loon is doorbetaald aan appellante en zij daarnaast een ontslagvergoeding heeft ontvangen, bestaat er volgens de rechtbank in het onderhavige geschil geen relatie tussen de ontslagvergoeding en de verrichte arbeid in het refertejaar als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit).

4.1. In hoger beroep stelt appellante zich op het standpunt dat het Besluit, noch de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), noch de Wet op de Loonbelasting 1964 (Wet LB 1964), bepaalt dat de ontslagvergoeding is uitgezonderd van het begrip loon. Er is volgens appellante geen sprake van loon dat uit een vroegere dienstbetrekking is genoten in de zin van artikel 16, tweede lid, onder a, van de Wfsv, omdat de vergoeding is ontvangen tijdens haar laatste dienstverband. De rechtbank heeft ten onrechte verwezen naar artikel 2, vijfde lid, van het Besluit. Deze bepaling ziet op een ander begrip loon, namelijk het fictieve loon. In dit geschil is sprake van feitelijk genoten loon.

4.2. Het Uwv heeft in hoger beroep gemotiveerd uiteengezet waarom de door appellante beëindigingsvergoeding geen loon is uit tegenwoordige dienstbetrekking.

5.1. In geschil is het oordeel van de rechtbank dat het Uwv de ontslagvergoeding terecht niet heeft betrokken bij de vaststelling van de hoogte van het dagloon. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. In artikel 45, eerste lid van de WW, is bepaald dat voor de berekening van de uitkering als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, is ingetreden verdiende. Ingevolge het tweede lid van artikel 45 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. Deze regels zijn neergelegd in het Besluit.

5.3. Artikel 2 van het Besluit geeft bijzondere bepalingen met betrekking tot het loon.

Het eerste lid bepaalt dat de werknemer wordt geacht loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Het vijfde lid bepaalt dat onder loon mede wordt begrepen de inkomsten, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WW, waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, voorzover die inkomsten worden toegerekend aan perioden die in het refertejaar vallen.

5.4. Volgens de Nota van Toelichting (NvT), Stb. 2005, 546, blz. 27, beoogt artikel 2, vijfde lid, van het Besluit een uitbreiding te zijn, omdat volgens de regelgever inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van zijn dienstverband geen loon is in de zin van de Wfsv. Appellante heeft het standpunt ingenomen dat de in geschil zijnde ontslagvergoeding wel loon is in de zin van de Wfsv, omdat artikel 16 van de Wfsv verwijst naar artikel 10 van de Wet op de loonbelasting, waarin geen uitzondering wordt gemaakt voor loon uit vroegere dienstbetrekking. Als het standpunt van appellante juist zou zijn, dan heeft artikel 2, vijfde lid, van het Besluit geen uitbreidende werking, maar een beperkende werking. Als immers vergoedingen in verband met de beëindiging van een dienstverband loon zijn in de zin van de Wfsv, dan zou artikel 2, vijfde lid, van het Besluit er toe leiden dat slechts een deel van die vergoedingen worden meegenomen bij de vaststelling van het dagloon. De vraag moet dan ook worden beantwoord of dergelijke vergoedingen loon zijn in de zin van de Wfsv.

5.5. In zijn uitspraak van 27 januari 2012, LJN BV2048, heeft de Raad het volgende overwogen. “Naar het oordeel van de Raad dient een vergoeding zoals appellant in het onderhavige geval heeft ontvangen te worden aangemerkt als hetgeen uit vroegere dienstbetrekking is genoten, als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wfsv. De vergoeding houdt verband met de (vroegere) dienstbetrekking van appellant, maar is geen beloning voor verrichte arbeid. Dergelijke inkomsten worden - behoudens in twee uitzonderingen die hier niet aan de orde zijn - niet als loon aangemerkt. Dat deze inkomsten wel vallen onder de Wet op de loonbelasting 1964 maakt dat niet anders.” Ook in het geval van appellante is de aan haar betaalde vergoeding geen beloning voor verrichte arbeid, maar vindt de vergoeding haar oorzaak in het voorheen verricht hebben van die arbeid. Het Uwv heeft de aan appellante betaalde ontslagvergoeding terecht niet aangemerkt als loon in de zin van de Wfsv. Daarmee staat vast dat het standpunt van appellante niet kan worden gevolgd.

5.6. De door appellante ontvangen ontslagvergoeding kan alleen met loon worden gelijk gesteld, als is voldaan aan de in artikel 2, vijfde lid, van het Besluit gestelde voorwaarde.

Aan die voorwaarde is niet voldaan. De rechtbank heeft dus op goede gronden beslist dat het Uwv terecht de ontslagvergoeding niet heeft meegenomen bij de vaststelling van het dagloon.

5.7. Hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.6 leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.C. Bruning en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) G.J. van Gendt

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

QH