Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5822

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
11-6721 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WGA-uitkering. Er is niet gebleken dat de medische beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid zijn onderschat. Er zijn geen aanknopingspunten te vinden voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6721 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 oktober 2011, 11/5283 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 11 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.S.C. Hes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2012.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend en appellante in de gelegenheid gesteld om haar standpunt nader te onderbouwen met een medisch expertiserapport.

Appellante heeft op 27 augustus 2012 een rapport ingediend van dr. F.A. van Gaalen, reumatoloog, gedateerd 6 augustus 2012.

Hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd bij rapportage van 11 september 2012.

Vervolgens hebben beide partijen ermee ingestemd dat een nadere zitting achterwege blijft.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 9 november 2005 uitgevallen voor haar werkzaamheden als verkoopster in verband met spier- en gewrichtsklachten. Het Uwv heeft haar een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend sinds 7 november 2007, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 100. Per 7 mei 2008 is de loongerelateerde WGA-uitkering beëindigd en is aansluitend een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend. Bij besluit van 9 december 2010 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellante per 1 maart 2011 beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar (hierna: bestreden besluit) van 13 mei 2011 ongegrond verklaard.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat haar klachten van het bewegingsapparaat door de verzekeringsarts zijn besproken met appellante en zijn meegewogen en dat de bezwaarverzekeringsarts, na lichamelijk onderzoek van appellante en mede op basis van informatie van de behandelende reumatoloog van 11 oktober 2010, heeft vastgesteld dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 december 2010 afdoende rekening is gehouden met de klachten van fibromyalgie. Nu appellante haar opvatting, dat haar beperkingen zijn onderschat, niet met medische gegevens heeft onderbouwd faalt deze beroepsgrond. Appellante moet in staat worden geacht de voorgehouden functies uit te oefenen. De rechtbank ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige dat de voorgehouden functies passend zijn. Terecht heeft het Uwv de uitkering van appellante beëindigd per 1 maart 2011.

2. Appellante heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen ten gevolge van fibromyalgie. In 2006 is haar belastbaarheid juist vastgesteld door het Uwv en deze is sindsdien onveranderd. Het is daarom niet te begrijpen dat de WGA-uitkering die zij al genoot sinds 7 november 2007, nu is beëindigd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij stukken ingediend van haar behandelende reumatoloog en heeft zij een second opinion-onderzoek laten uitvoeren. Verder is ten onrechte geen rekening gehouden met de beperkingen die de braces die zij om haar handen draagt, met zich meebrengen. De voorgehouden functies kan zij niet uitoefenen in verband met haar klachten.

3.1. De Raad overweegt het volgende.

3.2. Terecht en op basis van een juiste motivering heeft de rechtbank geconcludeerd dat er op grond van de beschikbare gegevens niet is gebleken dat de medische beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid zijn onderschat. De in hoger beroep ingediende stukken van de behandelende psychiater J.A.P.M. Ewals noch van de ter second opinion ingeschakelde reumatoloog dr. F.A. van Gaalen doen hieraan af. Deze reumatologen bevestigen beiden dat bij appellante sprake is van het door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde ziektebeeld van fibromyalgie, zonder daarbij nader in te gaan op de daarmee samenhangende beperkingen. De onderbouwing van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van het niet bestaan van beperkingen ten gevolgen van het dragen van de braces acht de Raad afdoende. Er zijn geen aanknopingspunten te vinden voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 1 december 2010. In december 2006 is appellante gezien door de arts V.R. Steenmeijer in het kader van een deskundigenoordeel ten aanzien van de geschiktheid voor passend werk op de eigen werkplek gedurende één uur per week. Deze arts heeft vastgesteld dat sprake is van weke delen reuma (fibromyalgie), waarvoor hij beperkingen heeft gesteld welke zijn neergelegd in de FML van 29 december 2006. Hij achtte appellante in staat tot minstens 1-2 uur per dag fysiek heel licht werk dat deels zittend kan plaats vinden terwijl ze voor vervoer van en naar het werk is aangewezen op vervoer door derden. De werkgever kon op basis van deze beperkingen geen passend werk aanbieden. De door appellante aangevoerde grond dat haar medische situatie sinds december 2006 ongewijzigd is en dat de FML uit 2006 daarom ongewijzigd van toepassing is, slaagt niet. De medische situatie in 2006 was immers geheel anders dan bij de huidige beoordeling. Destijds was sprake van een pril ziektebeeld waarbij nog geen stabiele situatie was bereikt. Bovendien heeft de medische beoordeling plaats gevonden in het kader van de re-integratie bij de eigen werkgever en niet in het kader van de Wet WIA. Ook bij de beoordeling in het kader van de Wet WIA in 2007 was de medische situatie een andere: toen stond de psychiatrische dagbehandeling in de weg aan haar beschikbaarheid voor arbeid en heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat zij om die reden geen benutbare mogelijkheden had. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de FML van 1 december 2010. Dientengevolge is er geen aanleiding om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen.

3.3. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de functies van administratief medewerker, produktiemedewerker industrie en archiefmedewerker geschikt zijn voor appellante. De Raad ziet geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de bezwaararbeidsdeskundige en acht de bij deze functies voorkomende signaleringen afdoende toegelicht. Uitgaande van deze functies bedraagt het arbeidsongeschiktheidspercentage minder dan 35.

3.4. Gelet op het voorgaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht bij het bestreden besluit de WGA-uitkering van appellante heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt dan ook niet.

3.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) J. de Jong

KR