Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5818

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
11/3109 WWB + 11/3110 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Verlaging bijstand met 10% voor de duur van één maand. Verplichting tot arbeidsinschakeling. Van appellant kon en mocht in redelijkheid worden gevergd dat hij zijn medewerking aan het psychologisch onderzoek verleende. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hij niet in staat was om gedurende twee uur een onderzoek te ondergaan en dat de weigering ervan hem niet kan worden verweten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3109 WWB, 11/3110 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2011, 10/2631 en 10/2633 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Huizen (college)

Datum uitspraak 11 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Aanen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aanen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Vlaanderen-Dorhout.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Het college heeft bij besluit van 26 februari 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 april 2010, appellant ontheven van de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Voorts heeft het college appellant te kennen gegeven dat hem de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB genoemde verplichtingen worden opgelegd.

1.3. Bij brief van 20 februari 2009 heeft Argonaut Advies (Argonaut) appellant in het kader van een medisch belastbaarheidsonderzoek op 3 maart 2009 uitgenodigd voor een gesprek met L. ten Hove, arts bij Argonaut. Appellant is niet op deze afspraak verschenen. Vervolgens is hij bij brief van 9 maart 2009 uitgenodigd voor een nieuw onderzoek op 31 maart 2009. Nadat appellant kenbaar had gemaakt dat de duur van het onderzoek (één of meer dagdelen) voor hem te belastend was, is hem op 30 maart 2009 telefonisch meegedeeld dat het onderzoek in tijdsduur zou worden beperkt tot ongeveer twee uur. Dit telefoongesprek is bij brief van gelijke datum bevestigd, waarbij is gewaarschuwd dat het niet voldoen aan de uitnodiging consequenties kan hebben voor de uitkering. Appellant is vervolgens op de afspraak verschenen, maar heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek. Het college heeft bij besluit van 7 oktober 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 april 2010 (bestreden besluit), aan appellant een maatregel opgelegd, bestaande uit een verlaging van de bijstand met 10% met ingang van 1 november 2009 voor de duur van één maand. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft meegewerkt aan het psychologisch onderzoek in het kader van zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij te ziek was om aan een te zwaar belastend onderzoek van twee uur te kunnen deelnemen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij een verklaring van zijn huisarts ingezonden.

Argonaut had voorts nadere informatie moeten opvragen bij de hem behandeld artsen. Doordat de verwijtbaarheid ontbreekt, mocht hem geen maatregel worden opgelegd. Bij het opleggen van de maatregel had zijn financiële situatie in acht moeten worden genomen. Ter zitting bij de Raad heeft appellant aangevoerd dat de maatregel in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM omdat de gevolgen van de maatregel onevenredig groot zijn.

Appellant heeft verzocht om het college een dwangsom op te leggen en te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Aan de ter zitting namens appellant aangevoerde grond over schending van het EVRM wordt voorbijgegaan, aangezien deze in strijd met de goede procesorde eerst ter zitting naar voren is gebracht, het college daarop niet heeft kunnen reageren en voorts niet is gebleken dat die beroepsgrond niet eerder had kunnen worden aangevoerd.

4.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.3. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt onder meer dat het college, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, de bijstand overeenkomstig de verordening verlaagt, tenzij elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.4. Met de rechtbank en het college wordt geoordeeld dat van appellant in redelijkheid kon en mocht worden gevergd dat hij zijn medewerking aan het psychologisch onderzoek verleende. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hij niet in staat was om gedurende twee uur een onderzoek te ondergaan en dat de weigering ervan hem niet kan worden verweten. De aard en het karakter van het onderzoek is aan appellant in voldoende mate toegelicht en de noodzaak ervan staat in dit geding niet ter discussie. Door het onderzoek te beperken tot ongeveer twee uur - in plaats van een onderzoek gedurende één of meer dagdelen - is voldoende rekening gehouden met de vermoeidheidsklachten van appellant. Het college heeft hieromtrent ter zitting bij de Raad bevestigd dat binnen een tijdsbestek van twee uur voldoende mogelijkheden aanwezig zijn om rekening te houden met de mate van belastbaarheid van appellant. De in hoger beroep overgelegde verklaring van de huisarts van 13 februari 2012 geeft geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Deze verklaring bevat slechts een algemene omschrijving van de vermoeidheidsklachten van appellant en heeft geen betrekking op het onderzoek van 31 maart 2009, maar op de belasting die appellant ervaart indien hij de zitting zou bijwonen.

4.5. Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het college gehouden was om de bijstand te verlagen.

De hoogte en de duur van de verlaging, namelijk 10% voor de duur van één maand, is in overeenstemming met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening WWB 2008 (Afstemmingsverordening) van de gemeente Huizen.

4.6. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Er is geen grond om aan het college een dwangsom op te leggen of te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en E.C.R. Schut en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) N.M. van Gorkum

Ew