Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
12-5825 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening. Onvoorwaardelijk ontslag in verband met zeer ernstig plichtsverzuim. Als spoedeisend belang heeft verzoeker aangevoerd dat de aangevallen uitspraak meebrengt dat het dienstverband herleeft, hetgeen verzoeker zeer onwenselijk acht. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevatten de gedingstukken, met name de daarin opgenomen processen-verbaal, voldoende concrete aanwijzingen dat betrokkene zich aan zeer ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5825 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio Haaglanden (verzoeker)

[A. te B.]

Datum uitspraak 6 december 2012.

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 oktober 2012, 12/1874 (aangevallen uitspraak).

Verzoeker heeft tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2012. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.M. Wesseling en P.F.M. Kok. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. E.A.C. van Kempen.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam bij de brandweer voor de Veiligheidsregio Haaglanden (VRH).

1.2. Op 20 mei 2010 is op de benedenverdieping van het achterhuis van het perceel [adres 1] te [plaatsnaam] een hennepkwekerij aangetroffen. Tevens is vastgesteld dat de ijkzegels van de stroominrichting waren verbroken en dat het telwerk van de meter op elke willekeurige stand kon worden geplaatst. Betrokkene huurde aanvankelijk de betreffende benedenverdieping van de hoofdhuurder en bewoonde deze, maar is medio 2007 in een ander deel van de woning (boven) gaan wonen. De benedenwoning heeft hij naar eigen zeggen vervolgens in januari 2010 onderverhuurd aan een zekere [D.]. Betrokkene is gearresteerd en werd verdacht van betrokkenheid bij de aangetroffen hennepplantage. Hij is op

28 november 2011 door de politierechter vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

1.3. Nadat betrokkene in juni 2010 was geschorst en deze schorsing later weer ongedaan is gemaakt, heeft verzoeker bij besluit van 5 juli 2011 betrokkene met onmiddellijke ingang geschorst in verband met het voornemen aan hem de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Verzoeker heeft aan betrokkene kenbaar gemaakt dat zijn bezoldiging met ingang van 12 juli 2011 zal worden ingehouden. Betrokkene is de toegang tot de gebouwen en terreinen van de VRH ontzegd.

1.4. Bij besluit van 26 augustus 2011 heeft verzoeker betrokkene met ingang van 1 september 2011 de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd in verband met zeer ernstig plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim bestaat uit het inrichten en exploiteren van een hennepplantage, het zonder toestemming aanpassen van de elektriciteits- en gasvoorziening, het zonder betaling gebruik maken van gas en energie, het teweegbrengen van een brandonveilige situatie, het onterecht ziekmelden, het onjuist inlichten van verzoeker en het toebrengen van schade ten aanzien van de dienst.

1.5. Verzoeker heeft deze besluiten na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 januari 2012 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verzoeker opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren. De rechtbank heeft kort gezegd geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat betrokkene handelingen heeft verricht bij het inrichten en exploiteren van de hennepplantage, dan wel het faciliteren daarvan, zodat van zeer ernstig plichtsverzuim geen sprake is. De rechtbank acht de door betrokkene gegeven verklaring over de aanwezigheid van zijn fiets en kleding in dat deel van het pand waar de hennepplantage aangetroffen is, plausibel. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat er binnenshuis of in de gang een dermate sterke henneplucht waarneembaar was, dat betrokkene dit had moeten opmerken. Verzoeker heeft de stellingen van betrokkene over de nabijgelegen coffeeshops niet bestreden. Het standpunt van verzoeker dat betrokkene aanpassingen heeft gedaan aan de meterkast, dan wel dat hij de aanpassingen had moeten opmerken, berust niet op deugdelijk vastgestelde gegevens. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat de verklaring van betrokkene over de vrijspraak door de strafrechter niet door verzoeker is betwist. Vast staat dat betrokkene zich na zijn aanhouding ten onrechte heeft ziek gemeld, hetgeen plichtsverzuim inhoudt dat betrokkene kan worden aangerekend, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank te licht voor strafontslag.

3.1. Verzoeker heeft verzocht om de werking van de aangevallen uitspraak op te schorten totdat uitspraak is gedaan in hoger beroep. Als spoedeisend belang heeft hij aangevoerd dat de aangevallen uitspraak meebrengt dat het dienstverband herleeft, hetgeen verzoeker zeer onwenselijk acht. Daarbij is verzoeker van mening dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen stand kan houden. In dit verband heeft verzoeker onder meer naar voren gebracht dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de als vaststaand te beschouwen feiten, waaruit in voldoende mate blijkt van betrokkenheid van betrokkene bij de oprichting en exploitatie van de hennepplantage. Het enkele verweer van betrokkene dat hij de ruimte had onderverhuurd aan een zekere [D.] en dat hij van niets wist, is onvoldoende. Verder heeft verzoeker, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, gewezen op het principiële verschil tussen de bewijsregels in het strafrecht en het ambtenarentuchtrecht.

3.2. Betrokkene heeft betrokkenheid bij de inrichting en exploitatie van de aangetroffen hennepplantage ontkend. Hij heeft erop gewezen dat hetgeen is opgenomen in een proces-verbaal niet per definitie als vaststaand kan worden beschouwd. Betrokkene had het deel van het pand waar de hennepplantage is aangetroffen onderverhuurd aan [D.] en beschikte zelf niet over een sleutel. Betrokkene heeft verder ter zitting kenbaar gemaakt dat hij een bijstandsuitkering ontvangt en heeft benadrukt dat hij graag zo snel mogelijk wenst terug te keren naar de werkplek. De mogelijkheid terug te keren naar de werkplek was hem toegezegd als hij zou worden vrijgesproken door de strafrechter.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.3. Gelet op het feit dat de aangevallen uitspraak betekent dat het dienstverband met betrokkene moet worden hersteld, hetgeen gezien de opstelling van betrokkene zijn terugkeer op de werkplek impliceert, bestaat hier een voldoende spoedeisend belang. Daarom moet antwoord worden gegeven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle kunnen geschieden. In het kader van dit verzoek wordt het volgende overwogen.

4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 15 september 2011, LJN BT1997 en TAR 2012, 35) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven is wel noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.5. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevatten de gedingstukken, met name de daarin opgenomen processen-verbaal, voldoende concrete aanwijzingen dat betrokkene zich aan zeer ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Hetgeen betrokkene hiertegen heeft ingebracht, heeft deze concrete aanwijzingen niet kunnen weerleggen. Betrokkene verwijst naar zijn onderhuurster [D.]. Met verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat haar betrokkenheid bij de hennepplantage op geen enkele wijze is aangetoond of zelfs aannemelijk is gemaakt. Betrokkene was huurder en voormalige bewoner van het pand waar de hennepplantage is aangetroffen. In het gedeelte van het pand waar de hennepplantage is aangetroffen, bevonden zich verschillende persoonlijke eigendommen van betrokkene, maar geen persoonlijke eigendommen van anderen. Anders dan de rechtbank acht de voorzieningenrechter de verklaring van betrokkene dat hij zijn (kostbare) herensportfiets aan [D.] heeft uitgeleend en de kleding in dat deel van het pand heeft achtergelaten toen hij naar boven verhuisde, ongeloofwaardig. Betrokkene heeft ter zitting erkend dat het aangetroffen boek van de Dalai Lama hoogstwaarschijnlijk van hem is en hij heeft desgevraagd geen verklaring kunnen geven voor de aanwezigheid van dat boek, dat opengeslagen op tafel lag. Betrokkene stelt verder geen wietlucht te hebben geroken, terwijl hij boven de plantage woonde en ten minste één getuige heeft verklaard dat er in de omgeving regelmatig een sterke wietlucht hing. Betrokkene stelt niets gemerkt te hebben van de exploitatie van de hennepplantage, de daarvoor benodigde inrichting, dan wel van de gemaakte aanpassingen in de meterkast, waarvan hij wel de sleutel had. Ook heeft hij niets gemerkt van de verhuizing van [D.] naar de onder hem gelegen etage, noch is hij ooit bij haar binnen geweest. Betrokkene heeft geen enkele poging gedaan om de persoon van [D.], aan wie hij de etage had verhuurd maar van wie hij de achternaam niet weet, na de vondst van de hennepplantage te achterhalen. Dat lag wel voor de hand, omdat hij dan immers zou kunnen worden vrijgepleit van de beschuldigingen. Naar aanleiding van de verklaring van verzoeker dat zij bij het ziekenhuis Bronovo werkzaam was heeft de politie onderzoek gedaan, maar haar niet gevonden. Bij Bronovo kende men [D.] niet. De voorzieningenrechter komt op grond van al deze overwegingen tot de slotsom dat betrokkene de feiten weliswaar ontkent, maar dat alle gegevens in zijn richting wijzen en dat hij daar niets tegenover stelt, behalve - door de gemachtigde van verzoeker als fantoom aangeduide - [D.]. Dat [D.] bestaat acht ook de voorzieningenrechter zeer twijfelachtig. Daargelaten wordt dan nog dat de hennepplantage volgens berekeningen van Stedin lang voor januari 2010 (en de beweerde komst van [D.]) al in werking moet zijn geweest.

4.6. Betrokkene heeft onder verwijzing naar verschillende gedingstukken nog een beroep gedaan op de aan hem gedane toezeggingen dat hij, indien hij door de strafrechter zou worden vrijgesproken, volwaardig en onbeschadigd zou kunnen terugkeren naar de werkplek. Deze toezeggingen, die niet door verzoeker worden ontkend maar waarvan gesteld is dat zij niet bevoegd zijn gedaan, kunnen in het kader van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening niet leiden tot het voorlopige oordeel dat het strafontslag onhoudbaar is.

4.7. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Dit, samen met de omstandigheid dat betrokkene op dit moment niet zonder inkomsten zit, is voldoende aanleiding om doorslaggevend gewicht toe te kennen aan het belang van verzoeker om betrokkene voorlopig niet te werk te stellen en de gevraagde voorziening toe te wijzen.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe;

schorst de werking van de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 oktober 2012, 12/1874, totdat op het hoger beroep is beslist;

bepaalt dat de griffier het door verzoeker betaalde griffierecht van € 466,- terugbetaalt aan het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio Haaglanden.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) N.M. van Gorkum

RH