Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
12/282 WWB + 12/284 WWB + 12/285 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering artikel 59 lid 2 WWB. Letterlijke tekst en bedoeling van de wetgever.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 59, geldigheid: 2012-12-04
Participatiewet 3, geldigheid: 2012-12-04
Participatiewet 17, geldigheid: 2012-12-04
Participatiewet 54, geldigheid: 2012-12-04
Participatiewet 58, geldigheid: 2012-12-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/282 WWB, 12/284 WWB, 12/285 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Roermond van 5 december 2011, 11/469 en 11/637 (aangevallen uitspraak 1) en 11/692 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

(appellante) en (appellant) te Roermond

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

Datum uitspraak 4 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de onderhavige zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 23 oktober 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ter Meulen-Mouwen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.T.M. Brouns, mr. V.P.A. Dassen en R. Ivanovic.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt met [betrokkene] ([betrokkene]) vanaf 1 juni 1998 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante heeft vanaf 12 augustus 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ontvangen. Appellante staat vanaf 14 mei 1998 ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens op het [adres appellante nr.] 14 te Roermond, alwaar ook[betrokkene] van 15 mei 1998 tot 12 augustus 2008 ingeschreven heeft gestaan. Tot 11 augustus 2009 staat appellant ingeschreven op het adres van zijn ouders, [adres ouders appellant] te [Z.], met een onderbreking van de periode van 2 augustus 2002 tot 6 februari 2003, toen hij stond ingeschreven op het adres [adres appellant] te [Y.]. Vanaf 11 augustus 2009 staat appellant ingeschreven op het adres van appellante.

1.2. Naar aanleiding van diverse meldingen dat appellanten samenwonen heeft de sociale recherche van de gemeente Roermond een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn observaties uitgevoerd, hebben doorzoekingen van een aantal woningen plaatsgevonden en zijn appellanten en diverse getuigen gehoord.

1.3. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 oktober 2009. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest bij besluiten van 5 oktober 2009 en 29 oktober 2009 de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 1 juni 2009 respectievelijk over de periode van 1 juni 1998 tot en met 31 mei 2009. Voorts heeft het college bij besluit van 3 november 2009 de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juni 1998 tot 1 juni 2009 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 11 december 2009 heeft het college de over voormelde perioden ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand mede van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 16 februari 2011 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 5 oktober 2009 en 29 oktober 2009 voor wat betreft de hoogte van de ten onrechte verleende bijstand gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in de periode van 1 juni 1998 tot 12 augustus 2008 op het [adres appellante nr.] 14 te Roermond een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant en niet met [betrokkene] zoals opgegeven. Voor wat betreft de periode van 12 augustus 2008 tot en met 31 mei 2009 heeft het college als grondslag gehanteerd dat appellante niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd, nu zij een gezamenlijke huishouding met appellant heeft gevoerd. Bij besluit van 1 april 2011 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 november 2009 voor wat betreft de hoogte van het terugvorderingsbedrag gegrond verklaard en het besluit op dit onderdeel herroepen. Bij besluit van 13 april 2011 (bestreden besluit 3) heeft het college het mede van appellant teruggevorderde bedrag, zoals vervat in het besluit van 11 december 2009, aangepast en gelijkgesteld aan het bedrag zoals vastgesteld bij bestreden besluit 2.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Zij hebben zich op de hierna weergegeven gronden op het standpunt gesteld dat zij geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

Intrekking

4.3. Het college heeft bij bestreden besluit 2 de intrekking van de bijstand niet beperkt tot een bepaalde periode. De beoordeling van de bestuursrechter bestrijkt in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit brengt met zich mee dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 juni 1998 tot en met 5 oktober 2009.

4.4. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.5. De onderzoeksbevindingen van de sociale recherche bieden voldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellanten gedurende de gehele in geding zijnde periode hun hoofdverblijf feitelijk hadden in de woning van appellante op het [adres appellante nr.] 14 te Roermond. Voor de periode vanaf het najaar 2008 hebben appellanten dit zelf, los van elkaar, bevestigd. Op 7 juli 2009 heeft appellante verklaard dat appellant ongeveer de laatste twaalf maanden bij haar heeft verbleven: “Ik heb er niets op te zeggen en ik kan zeggen dat het waar is, hij was er toch en ik ga er niet om liegen. Met hem bedoel ik [appellant]. Hij verblijft bij mij ongeveer de laatste twaalf maanden”. Appellant heeft op 10 juli 2009 hetzelfde verklaard: “U hoeft niks op papier te zetten. Ik heb elf maanden een relatie met [appellante] (…). Ik heb voor die tijd niet met [appellante] samengewoond”. Voor wat betreft de gehele in geding zijnde periode kent de Raad zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring van de moeder van appellant, [moeder appellant] ([moeder appellant]). Tijdens een verhoor op 7 juli 2009 heeft zij ten overstaan van twee sociaal rechercheurs verklaard dat appellant vanaf het moment dat appellante de woning aan [adres appellante] in 1998 betrok, daar heeft verbleven. Het ouderlijk adres [adres ouders appellant] te [Z.] gebruikte appellant alleen als postadres: “[Appellant] gebruikt deze woning als postadres. Hij heeft nooit meegegeten. Hij komt op bezoek en om de post op te halen”. [moeder appellant] heeft tevens verklaard dat appellant destijds de woning van appellante heeft ingericht en het meubilair en de inbouwkeuken heeft betaald.

4.6. Het betoog van appellanten dat de verklaring van [moeder appellant] buiten beschouwing moet blijven nu zij hierop naderhand is teruggekomen, wordt niet gevolgd. In het algemeen mag van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door de betrokkene ondertekende verklaring worden uitgegaan en kan aan een latere intrekking of wijziging van die verklaring geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. De gedingstukken bieden geen aanknopingspunten om in dit geval van die hoofdregel af te wijken, te meer nu het terugkomen op de eerdere verklaring niet of nauwelijks is gemotiveerd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door deze getuige ondertekende gedetailleerde verklaring onder ontoelaatbare druk tot stand is gekomen of dat deze in essentie geen juiste weergave bevat van wat zij tegenover de sociale recherche heeft verklaard. Bovendien vindt de verklaring van [moeder appellant] steun in verschillende bij de doorzoeking van de woning van appellante op 7 juli 2009 aangetroffen documenten, zoals aan appellant toebehorende kentekenbewijzen, bankafschriften en verzekeringspolissen. De verklaring van [moeder appellant] dat appellant de inbouwkeuken heeft betaald, vindt steun in specifieke op keukenonderdelen en -apparatuur betrekking hebbende nota’s, facturen, leveringsbonnen en servicerapporten die tijdens de doorzoeking van de woning van appellante zijn gevonden. Zo heeft appellant op het [adres appellante nr.] 14 een servicerapport van Candy Nederland B.V. ontvangen met betrekking tot een keukenapparaat, aangekocht op 21 mei 1998, waarin als meldingsdatum van de storing 20 juli 1998 staat genoteerd. Op 31 mei 2001 is appellant aangeschreven op het [adres appellante nr.] 14 door Atag Pelgrim Home Products Afdeling Service voor een bezoek van de servicemonteur op 5 juni 2001. Op ditzelfde adres heeft appellant een factuur met aflevering bon ontvangen, gedateerd 22 april 2008, voor de levering van keukenonderdelen afkomstig van Uniek Keukens. Op deze factuur staat tevens handgeschreven vermeld “voldaan” € 1.210,00 met de datum 22 april 2008.

4.7. Appellant heeft aangevoerd dat hij slechts zijn eigendom heeft willen veiligstellen aangezien de samenwoning met appellante, hoewel oorspronkelijk wel gepland, uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden en appellante financieel niet in staat was de spullen over te nemen en te onderhouden. Appellant heeft dit niet aannemelijk kunnen maken met objectieve gegevens, bijvoorbeeld een schuldbekentenis of een afbetalingsregeling. Met het voorgaande hangt nauw samen dat de stelling van appellant dat hij de inboedelverzekering op het [adres appellante nr.] om dezelfde reden heeft afgesloten, namelijk het veiligstellen van zijn eigendom, evenmin wordt gevolgd. Deze stelling wordt bovendien weersproken door de feiten aangezien appellante, op het moment dat appellant op 18 december 1998 een inboedelverzekering afsloot, al over een inboedelverzekering met betrekking tot de woning aan [adres appellante] beschikte. Bovendien heeft appellant deze verzekering, een extra uitgebreide inboedelverzekering met een waarde van € 50.000,00, tot tweemaal toe verlengd, namelijk op 18 december 2005 en 18 december 2007. Een dergelijke verlenging op deze tijdstippen ligt niet voor de hand in het geval, zoals appellant stelt, dat de relatie met appellante in het voorjaar van 1998 is geëindigd.

4.8. Appellanten hebben voorts aangevoerd dat appellant gedurende een groot gedeelte van de in geding zijnde periode heeft verbleven bij zijn vader [naam vader appellant] ([vader appellant]), dan wel bij [C.D.] ([C.D.]) dan wel in zijn caravan heeft gewoond. Ter onderbouwing van deze stelling hebben zij verwezen naar een door hen overgelegde verklaring van

5 februari 2010 van J. [K.] ([K.]), een verklaring van mei 2010 van [C.D.] en een verklaring van 9 mei 2011 van [vader appellant]. [C.D.] heeft verklaard dat appellant in de periode van medio 2003 tot mei 2009 regelmatig bij hem verbleef. [K.] heeft verklaard dat appellant in de periode van december 2007 tot november 2009 in de caravan heeft verbleven die voor de deur van zijn woning aan [adres appellante] 12 was geparkeerd. [Vader appellant] heeft verklaard dat appellant in 1998 en 1999 in Duitsland heeft gewerkt en daarna tot en met september 2002 in Groningen en dat hij in de weekenden bij de motorcross was. Deze achteraf opgestelde verklaringen zijn op zichzelf onvoldoende om een verblijf van appellant elders dan [adres appellante nr] 14 te Roermond aannemelijk te achten. De verklaringen zijn daarvoor onvoldoende specifiek en te weinig gedetailleerd. Bovendien ontbreekt de benodigde onderbouwing van deze verklaringen met objectieve en verifieerbare gegevens. Aan de in dat kader door appellanten overgelegde bankafschriften ten name van appellant waarop te zien is dat hij betalingen heeft gedaan aan Essent en WML wordt geen betekenis gehecht, aangezien niet duidelijk is op welk adres de nutsvoorzieningen zijn geleverd, terwijl de bankafschriften zelf geadresseerd zijn aan [adres ouders appellant] te [Z.], het postadres van appellant. Daarnaast vinden de door appellanten ingebrachte getuigenverklaringen uitdrukkelijk geen steun in het voorhanden zijnde bewijsmateriaal en zijn de verklaringen op belangrijke onderdelen onderling tegenstrijdig.

4.9. Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg in een concreet geval is voldaan.

4.10. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat in de periode hier in geding ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Zo heeft appellant, zoals blijkt uit op naam van hem gestelde facturen, betalingen verricht ten behoeve van keuken en tuin en heeft appellant doorlopend de inboedel van de woning aan [adres appellante nr.] 14 verzekerd. Appellante heeft gebruik gemaakt van op naam van appellant staande auto’s en was door appellant gemachtigd voor een bankrekening van hem. Appellanten hebben samen met de zoon van appellante diverse uitstapjes naar pretparken gemaakt, ook in het buitenland, waarbij appellant de kosten voor de reis, het verblijf en de toegang tot het park voor de zoon van appellante heeft betaald. Appellant heeft regelmatig motorcross spullen voor de zoon van appellante aangeschaft. Ook heeft appellant de zoon regelmatig meegenomen naar crosswedstrijden en als deelnemer begeleid, waarbij er soms werd overnacht in de caravan van appellant.

4.11. Gelet op het voorgaande en in onderlinge samenhang bezien heeft het college op goede gronden aangenomen dat appellant zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante vanaf 1 juni 1998 en dat zij blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar, waaruit, met de rechtbank, kan worden geconcludeerd dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding.

4.12. Appellante heeft het college niet meegedeeld dat zij in de periode hier in geding niet met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd maar met appellant, waarmee zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Ten gevolge hiervan heeft het college appellante en [betrokkene] ten onrechte als subject van bijstand aangemerkt. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellante over de in geding zijnde periode in te trekken.

Terugvordering

4.13. Met het voorgaande is gegeven dat het college tevens bevoegd was om op grond van artikel 58, eerste lid aanhef en onder a, van de WWB de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen.

Medeterugvordering

4.14. Het onder 4.12 overwogene betekent dat het college eveneens bevoegd is om de ten aanzien van appellante gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, mede van appellant terug te vorderen, aangezien vaststaat dat appellant degene is met wiens middelen bij de aan appellante verleende bijstand rekening diende te worden gehouden.

4.15. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet wist dat appellante bijstand ontving. Hij was er dan ook niet mee op de hoogte dat op appellante een wettelijke inlichtingenverplichting rustte, die zij vervolgens heeft geschonden. Voor zover appellant daarmee beoogt aan te geven dat hem geen blaam treft, overweegt de Raad dat dit voor de vaststelling of het college tot medeterugvordering bevoegd is, niet van belang is.

4.16. Appellanten hebben in de hoger beroepen met betrekking tot de gebruikmaking van de (mede)terugvorderingsbevoegdheid uitsluitend de hoogte van het teruggevorderde bedrag betwist. Nu zich bij de gedingstukken een uitgebreid overzicht bevindt waaruit de aan appellante verleende bijstand kan worden opgemaakt en appellanten hun stelling in cijfermatig opzicht niet hebben onderbouwd, gaat de Raad aan de betwisting van de hoogte van het teruggevorderde bedrag verder voorbij.

5. De Raad komt tot de conclusie dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken 1 en 2 komen voor bevestiging in aanmerking.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.J. Govaers en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.M. Tason Avila

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.