Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5760

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
11-5741 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5741 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 31 augustus 2011, 11/625 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 7 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Maats, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Maats. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 27 juli 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 april 2010 ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 5 december 2009 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was op deze datum. Het bestreden besluit rust op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de uitkomst van een door mr. drs. J.F.G. Wolthuis, medisch adviseur, in opdracht van appellante verricht onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van

28 januari 2011, geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling van de belastbaarheid van appellante door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om de door het Uwv bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid gehanteerde functies van schadecorrespondent, administratief medewerker (beginnend) en productiemedewerker industrie medisch ongeschikt te achten voor appellante, gelet op de daarbij gegeven toelichting door de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv.

3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat haar functionele beperkingen ten gevolge van bekkenfracturen en een polsfractuur in 2007 niet volledig zijn meegewogen door het Uwv. Zij heeft naar voren gebracht dat zij op 5 december 2009 niet een hele dag zittend werk kon verrichten en slechts een deel van de dag kon worden belast. Ook stelt zij dat haar polsklachten zijn onderschat.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het medische onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van het rapport van medisch adviseur Wolthuis en van de medische stukken uit het dossier, en van de door appellante in bezwaar overgelegde informatie van haar revalidatiearts. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts de bevindingen van de primaire verzekeringsarts - die appellante persoonlijk heeft onderzocht op 20 januari 2010 - in zijn rapport vermeld. De door hem daaruit getrokken conclusies zijn inzichtelijk.

4.2. De stukken die in hoger beroep door appellante zijn toegezonden over de medische behandeling en haar herstel na het ongeval in 2007 geven geen reden het oordeel van de rechtbank onjuist te achten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn reactie op deze stukken te kennen gegeven waarom daaruit, naar de maatstaven van de CBBS-systematiek gemeten, geen extra of zwaardere functionele beperkingen kunnen worden afgeleid geldend op de datum 5 december 2009. Uit de stukken is voorts niet gebleken dat appellante, zoals in de Functionele Mogelijkhedenlijst vermeld, op deze datum niet ongeveer een uur achtereen kon zitten op een foamkussen met de mogelijkheid om na tien tot vijftien minuten te verzitten. Ook volgt daar niet uit dat destijds voor haar hand- en vingergebruik of het werken met toetsenbord en muis een functionele beperking had moeten worden aanvaard.

4.3. Uitgaande van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat in de arbeidskundige rapporten voldoende is toegelicht dat de belasting in de gehanteerde functies destijds appellantes mogelijkheden niet te boven ging.

4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) K.E. Haan

TM