Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5753

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
11-2612 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Maatregel. Gezamenlijke huishouding. Het college is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat betrokkenen gedurende de periode in geding zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Verklaring appellante. Verklaringen buurtbewoners. (Geen) hoofdverblijf. Bevindingen observaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2612 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 maart 2011, 10/4183 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Druten (college)

Datum uitspraak 11 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Pasman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pasman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Slot.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 31 oktober 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Van 30 maart 2009 tot 6 januari 2010 ontving zij samen met F. [A.] ([A.]) bijstand naar de norm voor gehuwden. Vanaf 6 januari 2010 ontving zij weer bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van de melding dat [A.] dagelijks bij appellante verblijft en dat zijn auto dagelijks voor haar woning staat geparkeerd, heeft de sociale recherche van Regio Rivierenland een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, is bij de politie informatie ingewonnen, zijn observaties uitgevoerd, heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden in de omgeving van het adres van appellante, [adres 1], [plaatsnaam] (uitkeringsadres) en zijn appellante en [A.] verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 februari 2010. De onderzoeksresultaten zijn voor het college onder andere aanleiding geweest om bij besluit van 23 maart 2010 de bijstand over de periode van 31 oktober 2005 tot en met 29 maart 2009 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 63.969,74 van appellante terug te vorderen. Voorts heeft het college de bijstand met ingang van 1 maart 2010 bij wijze van maatregel verlaagd met 20% gedurende een maand. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante, zonder daarvan bij het college melding te hebben gemaakt, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [A.].

1.3. Bij besluit van 14 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2010 ongegrond verklaard, met dien verstande dat het bedrag van de terugvordering is verlaagd tot € 60.081,98.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen over griffierecht en proceskosten - het beroep deels gegrond, deels ongegrond verklaard, het bestreden besluit, voor zover het de terugvordering betreft, vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een toereikende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellante en [A.] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is in geschil of appellante en [A.] van 31 oktober 2005 tot en met 29 maart 2009 (periode in geding) een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.2. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.3. Vaststaat dat uit de relatie van appellante en [A.] kinderen zijn geboren en dat appellante haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dit betekent dat voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend is of ook [A.] in de periode in geding op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had. Aangezien het bestreden besluit een voor appellante belastend besluit is, rust op het college in beginsel de last om aannemelijk te maken dat [A.] in de periode in geding op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had.

4.4. Het college is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat [A.] gedurende de periode in geding zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De Raad overweegt daartoe als volgt.

4.5. Appellante heeft steeds ontkend dat [A.] zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Zo heeft zij op 9 juni 2009 tegenover de sociale recherche verklaard, dat [A.] niet bij haar woonde, dat [A.] wel bijna iedere dag langs kwam voor de kinderen, maar dat hij niet bleef slapen.

4.6. De verklaringen die [A.] heeft afgelegd over zijn hoofdverblijf zijn niet consistent. Op 20 mei 2009 heeft hij tegenover de sociale recherche verklaard dat hij, toen appellante haar woning op het uitkeringsadres betrok, bij haar is ingetrokken en sinds die tijd met haar heeft samengewoond. Deze verklaring heeft hij op 9 en 10 juni 2009, buiten de aanwezigheid van een tolk, bevestigd. Op 24 september 2010 is [A.] als getuige in de strafzaak tegen appellante door de rechter-commissaris onder ede gehoord. Toen heeft hij verklaard dat de verklaringen die hij tegenover de sociale recherche heeft afgelegd niet kloppen en dat hij, door onjuiste verklaringen af te leggen, wraak op appellante wilde nemen. Verder heeft [A.] toen verklaard dat hij vanaf 2003 tot 2008 in [plaatsnaam] aan de [adres 2] heeft gewoond en daarna bij zijn neef in Leerdam.

4.7. Het is niet uitgesloten dat [A.], zoals appellante heeft aangevoerd, tegenover de sociale recherche niet in overeenstemming met de waarheid heeft verklaard, om wraak te nemen op appellante. Van betekenis is in dit verband dat [A.] op 20 mei 2009 ook heeft verklaard dat appellante altijd ruzie met hem zocht, hem van alles de schuld gaf, hem zwart maakte, hem erin probeerde te luizen, dreigde dat hij zijn kinderen niet meer zou mogen zien en meerdere malen door haar is mishandeld. [A.] heeft toen verder verklaard dat hij op eigen initiatief zijn verhaal is komen doen omdat hij gewoon op is en veel last heeft van stress door de situatie met appellante en daardoor lichamelijk klachten heeft gekregen. Van betekenis is voorts dat appellante op 9 juni 2009, nadat zij met de inhoud van de verklaring van [A.] van 20 mei 2009 was geconfronteerd, heeft verklaard dat zij ongeveer twee weken geleden ruzie met [A.] heeft gehad en dat hij toen heeft gezworen dat hij wraak op haar zou nemen.

4.8. De door [A.] tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring, inhoudende dat hij zijn hoofdverblijf had op een ander adres dan het uitkeringsadres, vindt steun in de gedingstukken. Zo heeft de Woningstichting Alphons Ariëns verklaard dat [A.] van 25 april 2003 tot en met 20 september 2008 in de woning op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] woonachtig was. [P.] heeft op 23 december 2010 tegenover de rechter-commissaris in de strafzaken tegen appellante en [A.] verklaard dat [A.] van 2005 tot zijn verhuizing in 2007 schuin boven hem woonde op de Vlakkers. Hij noemt concrete feiten op grond waarvan hij tot die conclusie is gekomen. [A.] heeft op 23 december 2010 tegenover de rechter-commissaris in de strafzaken tegen appellante en [A.] verklaard dat [A.] van 20 augustus 2008 tot 30 maart 2009 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op zijn adres stond ingeschreven en daar daadwerkelijk woonde. [A.] verbleef vier à vijf nachten per week op het betreffende adres, had een eigen kamertje, had spullen in huis staan en waste daar zijn kleren. Ook het feit dat de rechtbank bij beschikking van 7 mei 2007 op verzoek van appellante een omgangsregeling heeft vastgesteld tussen [A.] en zijn minderjarige kinderen wijst er niet op dat [A.] toen zijn hoofdverblijf had in dezelfde woning als appellante en de kinderen.

4.9. Vier buurtbewoners in de omgeving van het uitkeringsadres hebben verklaard dat op het uitkeringsadres een man, een vrouw en drie kinderen wonen. Deze verklaringen zijn, in het licht van het gegeven dat appellante heeft verklaard dat [A.] bijna iedere dag op het uitkeringsadres langskwam, niet van doorslaggevend gewicht. De verklaringen bevatten nauwelijks concrete feiten op grond waarvan de buurtbewoners tot de conclusie komen dat [A.] op het uitkeringsadres woont. Voorts zien twee van de verklaringen op een zeer beperkt gedeelte van de periode in geding. Enkele van de verklaringen bevatten voorts feitelijke onjuistheden.

4.10. De bevindingen uit de observaties acht de Raad evenmin van groot gewicht bij de beoordeling van het hoofdverblijf van [A.] in de periode in geding. Daarbij is van belang dat slechts zestien maal een waarneming is verricht in een periode van ruim zeven maanden vanaf 19 september 2008. Dat [A.] in de periode van december 2008 tot en met maart 2009 met name in de omgeving van [plaatsnaam] pintransacties zou hebben verricht, blijkt niet uit de bankafschriften die het college aan de Raad heeft gezonden. Behalve in [plaatsnaam] vonden ook in Tiel, Nijmegen en Wijchen pintransacties plaats.

4.11. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.10 is overwogen betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen behalve de beslissingen over griffierecht en proceskosten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Tevens bestaat aanleiding het besluit van 23 maart 2010 te herroepen. Aan het besluit van 23 maart 2010 kleeft immers hetzelfde gebrek als aan het bestreden besluit en het is niet aannemelijk dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 14,64,-- in beroep voor reiskosten en op € 894,52 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over griffierecht en

proceskosten;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 oktober 2010;

- herroept het besluit van 23 maart 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 14 oktober 2010

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 909,16;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,--

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2012.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) E. Heemsbergen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD