Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5749

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
10/2846 WWB + 12/996 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Verlaging bijstand voor de duur van één maanden met 100% van de bijstandsnorm. Niet meewerken aan een voor de arbeidsinschakeling noodzakelijk geachte voorziening. Met nader besluit niet geheel tegemoet gekomen. Op grond van de medische keuring is terecht geoordeeld dat appellant geschikt kan worden geacht voor licht productiewerk met een geleidelijke opbouw in uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2846 WWB, 12/996 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 april 2010, 08/4415 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Oss (college)

Datum uitspraak 11 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Hangende het hoger beroep heeft het college op 1 februari 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft hierop de gronden van zijn beroep gehandhaafd. Het college heeft nader verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2012. Voor appellant is

mr. Driessen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.A.J. Lejeune.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 1994 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Vanaf 9 mei 2005 heeft het college appellant de arbeidsverplichtingen van artikel 9 van de WWB opgelegd. Appellant is op grond van een medische en arbeidskundige keuring bemiddelbaar bevonden voor lichte arbeid met een urenbeperking wegens longklachten. Gezien zijn langdurige werkloosheid en zijn gezondheidssituatie heeft het college op 15 juni 2007 aan appellant de verplichting opgelegd om deel te nemen aan een bewegingstraject voor Astma patiënten bij Ergo Control. Appellant startte op 12 november 2007 met het traject nadat een sportarts van Ergo Control hem, ondanks zijn astmaklachten, in medisch opzicht geschikt achtte om deel te nemen aan het trainingsprogramma. Appellant meldde zich vervolgens meerdere keren ziek. Een bedrijfsarts van Maetis heeft appellant in verband met longklachten op 14 januari 2008 onderzocht en achtte hem voorlopig geschikt voor werkzaamheden in een schone, rookvrije ruimte, waarbij geen fysieke inspanning is vereist. In verband met geclaimde psychische klachten is appellant op 24 april 2008 door een psycholoog van de Rigtergroep onderzocht die heeft vastgesteld dat appellant in psychologische zin in staat is om deel te nemen aan een traject richting loonvormende arbeid.

1.2. Nadat appellant op 25 januari 2008 had aangegeven te willen stoppen bij Ergo Control en op zoek te willen gaan naar licht, zittend productiewerk, heeft het college hem aangemeld voor het traject Werkende Weg bij SHD Werkgelegenheidsdiensten (SHD). Bij brief van 3 september 2008 is aan appellant bevestigd dat hij op 17 september 2008 werd verwacht bij SHD voor het tekenen van het arbeidscontract en de onmiddellijke aanvang van zijn nieuwe baan. Appellant meldde zich echter op 17 september 2008 ziek met neusklachten, waarna hij op 19 september 2008 medisch is gekeurd door een bedrijfsarts van Maetis. De bedrijfsarts heeft vastgesteld dat er medisch gezien voor appellant geen reden is om niet te starten met licht productiewerk met een geleidelijke opbouw, bijvoorbeeld door te starten met drie uur per dag en vervolgens per twee weken op te bouwen met een uur per dag. Gelet hierop is appellant bij brief van 25 september 2008 verzocht om op 2 oktober 2008 bij SHD te verschijnen voor het tekenen van een arbeidscontract waarbij hem is meegedeeld dat bij zijn nieuwe baan rekening wordt gehouden met de beperkte werkhervatting zoals de bedrijfsarts die heeft geadviseerd. Appellant is op 2 oktober 2008 verschenen, maar weigerde het contract te tekenen omdat hij ziek zou zijn. Tijdens een tweede gesprek op 6 oktober 2008 heeft appellant, nadat hij op de consequenties daarvan was gewezen, andermaal geweigerd een arbeidscontract te tekenen op de grond dat hij ziek was wegens neusklachten.

1.3. Bij besluit van 6 oktober 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 2 oktober 2008 voor de duur van drie maanden verlaagd met 100% van de bijstandsnorm op de grond dat appellant door zijn weigering het contract bij SHD te tekenen, door eigen toedoen geen dienstbetrekking heeft in het kader van het project Werkende Weg. Appellant heeft aldus met zijn gedrag niet meegewerkt aan een voor de arbeidsinschakeling noodzakelijk geachte voorziening wat een verwijtbare sanctioneerbare gedraging van de vijfde categorie oplevert op grond van de artikelen 9 en 18, tweede lid, van de WWB in samenhang met de artikelen 9, 10 en 11 van de Verordening afstemming bijstand gemeente Oss 2005 (verordening).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij heeft geoordeeld dat appellant zijn arbeidsverplichtingen verwijtbaar niet is nagekomen. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat hij ten tijde van belang medisch gezien niet in staat was te werken, dat het college zich schuldig heeft gemaakt aan machtsmisbruik en dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming.

3.1. Bij brief van 6 februari 2012 heeft het college de Raad meegedeeld dat jurisprudentie van de Raad aanleiding heeft gegeven tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar van 1 februari 2012, waarbij het primaire besluit van 6 oktober 2008 in zoverre wordt herroepen dat de verlaging van de bijstand met 100% wordt beperkt tot de duur van een maand.

3.2. Appellant heeft bij brief van 27 februari 2012 op het besluit van 1 februari 2012 gereageerd en aangegeven dat de verlaging van de bijstand in zijn geheel ongerechtvaardigd en onredelijk is. Appellant heeft zijn eerder aangevoerde gronden gehandhaafd en heeft ter zitting van de Raad verzocht een medisch deskundige te benoemen om een oordeel te geven over zijn medische toestand ten tijde in geding. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft appellant gewezen op de onzorgvuldige besluitvorming van het college.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Bij besluit van 1 februari 2012 heeft het college het bestreden besluit gewijzigd door de verlaging van de bijstand met 100% te beperken tot een maand. Het beroep van appellant dient dan ook gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, waarbij dit besluit in stand is gelaten. De Raad merkt het nadere besluit van 1 februari 2012 aan als een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dit besluit niet geheel is tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant, zal dit besluit met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling worden betrokken.

4.2. Vaststaat dat door de weigering van appellant om op 6 oktober 2008 gebruik te maken van de geboden re-integratievoorziening bij SHD het traject Werkende Weg geen doorgang heeft gevonden. Appellant was langdurig werkloos en hem is een traject aangeboden met een dienstverband waarbij specifiek rekening wordt gehouden met zijn beperkingen. Anders dan appellant stelt, is de Raad daarbij van enig misbruik door het college niet gebleken.

4.3. Het college heeft daarom op grond van de medische keuring op 19 september 2008 terecht geoordeeld dat appellant per 6 oktober 2008 geschikt kan worden geacht voor licht productiewerk met een geleidelijke opbouw in uren. De Raad ziet dan ook geen reden om appellant te volgen in zijn standpunt dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door geen rekenschap te houden met het feit dat appellant naar aanleiding van het medisch onderzoek van 19 september 2008 heeft verzocht om een second opinion bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.

4.4. Appellant heeft op geen enkele wijze een onderbouwing gegeven voor zijn stelling dat hij ten tijde van belang om medische redenen niet in staat was te werken via het traject Werkende Weg. Dat appellant buiten staat was om een onderbouwing te geven is voorts niet aannemelijk gemaakt.

4.5. Nu geen aanknopingspunten zijn aangedragen die doen twijfelen aan de door het college overgenomen medische adviezen, ziet de Raad geen aanleiding om een medisch deskundige te benoemen, zoals ter zitting door de gemachtigde van appellant is verzocht, en wijst het verzoek daarom af.

4.6. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 is de weigering van appellant gebruik te maken van de re-integratievoorziening bij SHD hem te verwijten. Het college was dan ook gehouden de bijstand van appellant met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB te verlagen.

4.7. De maatregel in geding vindt zijn grondslag in artikel 18, tweede lid, van de WWB in verbinding met artikel 9, artikel 10 en artikel 11 van de verordening. Ingevolge artikel 9, vijfde lid, onder 3 van de verordening behoort tot een gedraging van de vijfde categorie: het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van geboden re-integratievoorzieningen (…) als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het re-integratietraject. Artikel 10, eerste lid, onder 5, bepaalt dat bij gedragingen van de vijfde categorie de bijstand verlaagd wordt met 100%. Artikel 11, eerste lid, aanhef en onder 3, van de verordening bepaalt dat een verlaging van de bijstand plaatsvindt voor de duur van drie maanden wanneer de verwijtbare gedraging tot gevolg heeft dat geen Werkende Weg traject kan worden aangeboden. Zoals overwogen in 3.1 heeft het college naar aanleiding van rechtspraak van de Raad de maatregel beperkt tot de verlaging van de bijstand met 100% gedurende een maand. In hetgeen appellant heeft aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de ernst van de in geding zijnde gedraging, de mate waarin deze appellant kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert voor het college aanleiding had moeten geven deze verlaging van de bijstand te matigen. Het standpunt van appellant dat de opgelegde maatregel ongerechtvaardigd en onredelijk is, wordt niet gedeeld.

4.8. Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het beroep tegen het besluit van 1 februari 2012 ongegrond moet worden verklaard.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 874,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 5 maart 2009;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 februari 2012 ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag

van € 1.748,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep

betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en Y.J. Klik en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) J.M. Tason Avila

IJ