Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5694

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
11-2635 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijzondere bijstand op grond van de Regeling Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (regeling) met ingang van 1 augustus 2010. In hetgeen door appellant naar voren is gebracht heeft de Raad voldoende aanknopingspunten gevonden voor het aannemen van bijzondere omstandigheden. De Raad voorziet zelf: bijzondere bijstand met terugwerkende kracht tot 1 september 2009.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 43, geldigheid: 2012-12-11
Participatiewet 44, geldigheid: 2012-12-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/17

Uitspraak

11/2635 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2011, 10/6292 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 11 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 2 juli 2002 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 30 augustus 2010 heeft appellant een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Regeling Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (regeling) met ingang van november 2007.

1.2. Bij besluit van 22 november 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 december 2010 (bestreden besluit), heeft het college appellant met ingang van 1 augustus 2010 bijzondere bijstand op grond van de regeling toegekend tot een bedrag van € 140,-- per maand. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld CRvB 5 oktober 2010, LJN BN9651) betreffende de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.2. De Raad heeft in hetgeen door appellant naar voren is gebracht voldoende aanknopingspunten gevonden voor het aannemen van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het onder 4.1 geformuleerde uitgangspunt rechtvaardigen in de hierna genoemde zin. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant in november 2007 een hersenbloeding heeft gehad, waardoor hij deels verlamd is geraakt en rolstoelafhankelijk is geworden. In september 2009 heeft appellant in het kader van een advies over een door hem te volgen traject met zijn klantmanager gesproken over een mogelijke vergoeding van extra kosten in verband met zijn handicap op grond van een regeling voor chronisch patiënten. Verder heeft appellant in september 2009 bij een medewerker van de Dienst werk en inkomen van de gemeente Amsterdam geïnformeerd naar bijzondere bijstand voor hoge energiekosten. Niet betwist wordt dat de betreffende medewerker op de hoogte kon zijn van de gezondheidssituatie van appellant. Desondanks heeft deze medewerker appellant een formulier bijzondere bijstand toegezonden zonder appellant op de regeling te wijzen. Appellant heeft vervolgens een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand, welke aanvraag is afgewezen.

4.3. Het gestelde onder 4.2 brengt mee dat sprake is van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht tot 1 september 2009 rechtvaardigen.

4.4. In hetgeen door appellant overigens naar voren is gebracht zijn onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het aannemen van bijzondere omstandigheden die een verdergaande terugwerkende kracht rechtvaardigen.

4.5. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep gericht tegen de ingangsdatum ongegrond is verklaard, niet in stand kan blijven. Het beroep tegen het bestreden besluit is in zoverre gegrond en dit besluit zal worden vernietigd voor zover daarbij de ingangsdatum van de bijstand is gehandhaafd.

4.6. Gelet op het voorgaande, en uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting, zal de Raad zelf in de zaak voorzien. De Raad zal daartoe het besluit van 22 november 2010 herroepen voor wat betreft de ingangsdatum van de bijstand op grond van de regeling en die datum bepalen op 1 september 2009.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. De kosten worden begroot op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 14 december 2010, voor zover dat ziet op de ingangsdatum;

- herroept het besluit van 22 november 2010 in zoverre en bepaalt dat de ingangsdatum van de bijzondere bijstand op grond van de regeling ten bedrage van € 140,-- per maand wordt gesteld op 1 september 2009;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 874,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

IJ