Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5686

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
10-3966 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Schending medewerkingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/16

Uitspraak

10/3966 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 5 juli 2010, 10/879, 10/932, 10/880 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

Datum uitspraak 11 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2012. Namens appellant is verschenen mr. Grégoire. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Benning.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 20 februari 2009 tot en met 3 oktober 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 22 september 2009 stond appellant bij de Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven op het adres van zijn oom, [adres 1] te [plaatsnaam]. Hij heeft deze wijziging in zijn woonsituatie gemeld bij het college. Appellant verbleef van 3 oktober 2009 tot 22 januari 2010 in detentie.

1.2. Na ontslag uit detentie heeft appellant zich op 22 januari 2010 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen ingevolge de WWB. Appellant heeft vervolgens op 9 februari 2010 een aanvraag gedaan. Appellant is daarna uitgenodigd voor een gesprek op 25 februari 2010 met medewerkers van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Sittard-Geleen. In dit gesprek hebben de medewerkers van de afdeling kenbaar gemaakt dat zij, aansluitend aan het gesprek, een huisbezoek wilden afleggen. Appellant heeft geweigerd hieraan mee te werken. De medewerkers van de afdeling Werk en Inkomen hebben hun bevindingen neergelegd in een rapport van 25 februari 2010.

1.3. Bij besluit van 26 februari 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 juni 2010, heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant door geen medewerking te verlenen aan het huisbezoek de op hem rustende medewerkingsverplichting ingevolge artikel 17, tweede lid, van de WWB heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat hij alle informatie heeft gegeven. Het college mocht daarom de aanvraag niet afwijzen wegens schending van de inlichtingenverplichting. Omdat appellant een ex-gedetineerde is, had de aanvraag ten aanzien van zijn woon- en verblijfsplaats met meer welwillendheid moeten worden beoordeeld. Voor het huisbezoek was geen redelijke grond aanwezig. Appellant heeft in de periode voorafgaande aan zijn detentie al een uitkering ontvangen. Kort voor zijn detentie woonde hij op hetzelfde adres. Zijn woon- en verblijfplaats vormden toen voor het college geen beletsel voor bijstandsverlening. Tot slot heeft appellant naar voren gebracht dat voor de toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door de rechtbank toestemming nodig is van partijen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 17, tweede lid, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Indien de belanghebbende niet aan de medewerkingsverplichting voldoet is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 juni 2012, BW9756) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij de aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in dit geval van een redelijke grond als hiervoor bedoeld sprake was. Gezien de bevindingen vermeld in het rapport van 25 februari 2010 en de toen door appellant afgelegde verklaring kon bij het college redelijkerwijs twijfel bestaan over de juistheid van de opgave van appellant over zijn woonsituatie. Appellant was immers niet rechtstreeks bereikbaar. Hij heeft bij zijn melding het telefoonnummer opgegeven van zijn schoonzus, als het telefoonnummer waarop de gemeente hem kon bereiken. Zijn schoonzus heeft namens appellant contact gelegd met de gemeente in het kader van deze en de vorige aanvraag. Bij die eerdere aanvraag had appellant een postadres, maar feitelijk verbleef hij mede bij zijn broer en schoonzus. Verder waren de woonkosten van appellant onduidelijk. Op het aanvraagformulier heeft appellant kenbaar gemaakt dat hij maandelijks € 60,-- kostgeld moet betalen aan zijn oom. Op de door hem overgelegde verklaring van inwoning wordt echter vermeld dat hij maandelijks € 100,-- aan kostgeld dient te betalen. Hiervan heeft hij desgevraagd geen bewijs kunnen tonen. Appellant heeft op 25 februari 2010 verklaard dat hij geen sleutel heeft van de woning aan de [adres 1] en om die reden niet kan meewerken aan het huisbezoek. Voorts heeft appellant in dat gesprek geweigerd om zijn oom en tante te bellen met het verzoek naar de woning te komen, omdat hij niet wilde dat zij voor hem hun afspraken zouden afzeggen. Omdat niet is gebleken dat de door appellant opgegeven woonsituatie op een andere, voor hem minder belastende wijze kon worden geverifieerd, heeft het college terecht van appellant verlangd dat hij medewerking verleende aan het huisbezoek en dat hij daartoe desgevraagd meteen telefonisch contact diende op te nemen met zijn oom en tante.

4.4. Voor de beoordeling van het recht op bijstand vormt de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven. Vaststaat dat appellant bij zijn aanvraag de woning aan de [adres 1] heeft opgegeven als zijn woonadres. Na ontvangst van de aanvraag heeft het college onderzoek verricht naar de opgegeven woonsituatie. Het betoog van appellant dat zijn aanvraag op het punt van de woon- en leefsituatie met meer welwillendheid had moeten worden beoordeeld, omdat hij kort vóór zijn aanvraag is ontslagen uit detentie wordt niet gevolgd. Deze omstandigheid doet niet af aan de verplichting van appellant om, op grond van artikel 17, tweede lid, WWB, mee te werken aan het onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie. Indien een voorafgaand verblijf in detentie gevolgen heeft voor de woonsituatie van betrokkene en leidt tot knelpunten, zoals een tijdelijk adres of weinig bezittingen, kunnen dit omstandigheden vormen waarmee bij de beoordeling van de aanvraag rekening moet worden gehouden. Ook dan gelden de verplichtingen van artikel 17 van de WWB echter onverkort.

4.5. In de wet noch in de rechtspraak bestaat een aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling van appellant dat het recht op bijstand herleeft na ontslag uit een detentie als hier aan de orde. Tijdens zijn vrijheidsontneming had appellant op grond van artikel 13, aanhef en onder a, van de WWB geen recht op bijstand. Appellant heeft ter vaststelling van zijn recht op bijstand na detentie een aanvraag gedaan. In het kader van een aanvraag, evenals in het kader van de voortzetting van bijstand, dient het college de actuele woon- en leefsituatie te bepalen. Gelet op hetgeen in 4.3 is overwogen, kon het college voor de vaststelling van het recht op bijstand niet volstaan met de constatering dat het woonadres dat appellant bij zijn aanvraag had opgegeven, overeenkwam met het woonadres in de periode kort vóór zijn detentie.

4.6. De rechtbank heeft gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om op grond van artikel 8:86 Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Op grond van de wet noch op grond van de rechtspraak, is voor de uitoefening van deze bevoegdheid toestemming vereist van partijen. De beroepsgrond van appellant dat een dergelijke toestemming nodig is, slaagt daarom niet.

4.7. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en C.H. Bangma en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2012.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) N.M. van Gorkum

NK