Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5670

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
11-1869 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem van het niet tijdig verstrekken van de gevraagde gegevens en het niet verschijnen geen verwijt kan worden gemaakt. Op 17 augustus 2010 heeft de handhavingsspecialist de oproep voor 20 augustus 2010 persoonlijk in de brievenbus van appellant achtergelaten. Dat appellant op 17 augustus 2010, de dag van het ontslag uit het ziekenhuis, niet in zijn brievenbus heeft gekeken en evenmin op 18 of 19 augustus 2010 komt voor zijn risico, nu niet aannemelijk is dat hij daartoe niet in staat was. Het standpunt van appellant dat het college uit de telefonische reactie vanuit het ziekenhuis van 17 augustus 2010 had moeten afleiden dat hij 20 augustus 2010 niet zou verschijnen, wordt niet onderschreven. In dat telefoongesprek is niet gesproken over de medische situatie van appellant en/of duur van de opname.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1869 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2011, 10/5262 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 11 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2012. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. Schreinemacher en M. Cheiboukh, tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 13 april 2000 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft bij besluit van 13 augustus 2010 het recht op bijstand met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB met ingang van 13 augustus 2010 opgeschort, omdat appellant niet is verschenen op het gesprek van 13 augustus 2010 waar hij zijn paspoort en bankafschriften van de afgelopen drie maanden moest tonen. Bij dat besluit heeft het college appellant tevens uitgenodigd voor een gesprek op 16 augustus 2010. Vervolgens heeft het college, onder intrekking van het besluit van 13 augustus 2010, bij besluit van 17 augustus 2010 het recht op bijstand van appellant per 13 augustus 2010 opgeschort en appellant uitgenodigd voor een gesprek op 20 augustus 2010. Daarbij is verzocht om de hiervoor genoemde gegevens mee te nemen en is appellant er op gewezen dat zijn uitkering kan worden beƫindigd indien hij aan de uitnodiging onvoldoende gevolg geeft.

Appellant heeft geen gevolg gegeven aan die uitnodiging.

1.2. Bij besluit van 23 augustus 2010 heeft het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand met ingang van 13 augustus 2010 ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 19 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de opschorting en intrekking ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ter beoordeling ligt uitsluitend voor of de intrekking van de bijstand met ingang van 13 augustus 2010 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

4.2. Niet betwist wordt dat de gevraagde gegevens relevant zijn voor (het vaststellen van) het recht op bijstand van appellant, dat appellant niet is verschenen op 20 augustus 2010 en dat hij de gevraagde gegevens niet binnen de hem gegeven hersteltermijn heeft overgelegd.

4.3. Appellant stelt dat hem ter zake geen verwijt treft en hij wijst daarbij op zijn medische situatie. Appellant is na drie dagen met migraineklachten verwezen naar het ziekenhuis waar hij op 16 augustus 2010 is opgenomen en op 17 augustus 2010 in de avond is ontslagen. Op 18 en 19 augustus 2010 heeft appellant ambulant het ziekenhuis bezocht. Op 17 augustus 2010 heeft appellant vanuit het ziekenhuis contact gehad met een medewerker van het callcenter van het college en doorgeven dat hij in verband met een ziekenhuisopname niet heeft kunnen verschijnen op 16 augustus 2010. Appellant stelt zich op het standpunt dat het college uit dit telefonisch contact had moeten begrijpen dat hij ook niet in staat was te verschijnen op 20 augustus 2010.

4.4. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem van het niet tijdig verstrekken van de gevraagde gegevens en het niet verschijnen op 20 augustus 2010 geen verwijt kan worden gemaakt. Op 17 augustus 2010 heeft de handhavingsspecialist de oproep voor 20 augustus 2010 persoonlijk in de brievenbus van appellant achtergelaten. Dat appellant op 17 augustus 2010, de dag van het ontslag uit het ziekenhuis, niet in zijn brievenbus heeft gekeken en evenmin op 18 of 19 augustus 2010 komt voor zijn risico, nu niet aannemelijk is dat hij daartoe niet in staat was. Het standpunt van appellant dat het college uit de telefonische reactie vanuit het ziekenhuis van 17 augustus 2010 had moeten afleiden dat hij 20 augustus 2010 niet zou verschijnen, wordt niet onderschreven. In dat telefoongesprek is niet gesproken over de medische situatie van appellant en/of duur van de opname.

4.5. Wat overigens namens appellant in hoger beroep nog naar voren is gebracht, geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

4.6. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellant met ingang van 13 augustus 2010 in te trekken. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.7. Uit wat hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

IJ