Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5668

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
11-6510 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijzondere bijstand in de vorm van een renteloze lening. Een langdurig verblijf in een inrichting al dan niet buiten de schuld van de betrokkene om is op zichzelf genomen geen uitzonderlijke situatie. De gestelde schuld die is ontstaan als gevolg van de psychische gesteldheid van appellante bestaat, zoals ter zitting is toegelicht, uit achterstallige premie van de zorgverzekering. De verlaging van de bijstandsnorm als gevolg van het langdurige verblijf in een inrichting kan gelet op het bepaalde in artikel 23 van de WWB dus niet de oorzaak zijn voor een premieschuld van de zorgverzekering. Appellante heeft het bestaan van andere schulden verder niet aannemelijk gemaakt, zodat in de aflossingscapaciteit van appellante evenmin een aanleiding kan worden gevonden voor de stelling dat de bijzondere bijstand om niet had moeten worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6510 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 oktober 2011, 11/473 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak 11 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Mulder, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2012. Namens appellante is verschenen mr. B. van Dijk, advocaat en opvolgend gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H. Grommers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 1 september 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 15 november 2010 heeft het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor de aanschaf van een nieuw bankstel toegewezen. De bijzondere bijstand is toegekend in de vorm van een renteloze lening tot een bedrag van € 900,--.

1.2. Bij besluit van 17 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellante tegen de vorm van de bijstand ongegrond verklaard op de grond dat ingevolge artikel 51 van de WWB, bijzondere bijstand in geval van de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen in de vorm van een renteloze geldlening wordt verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de WWB, kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet. Ingevolge het beleid dat het college volgens het Handboek WWB van de gemeente Groningen bij de toepassing van artikel 51 van de WWB voert, wordt bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in beginsel verstrekt in de vorm van borgtocht of als geldlening. Slechts in uitzonderlijke situaties kan bijstand om niet worden verstrekt.

4.2. Appellante stelt zich op het standpunt dat in haar geval sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij langdurig heeft verbleven in een kliniek en in die periode slechts zak- en kleedgeld ontving in plaats van een volledige bijstandsuitkering naar de voor haar geldende norm, waardoor zij niet heeft kunnen reserveren voor de aanschaf van een nieuw bankstel. Voorts toont het langdurige verblijf van appellante in de kliniek aan wat haar psychische gesteldheid is geweest, als gevolg waarvan zij gedurende langere tijd niet in staat is geweest om haar inkomen op juiste wijze aan te wenden. Mede hierdoor zijn er schulden ontstaan als gevolg waarvan appellante niet ook nog kan aflossen op de leenbijstand.

4.3. Niet aan de orde is de vraag of, en zo ja in hoeverre, appellante in staat is geweest om te reserveren voor de kosten van de aanschaf van de nieuwe bank. Er is immers voor dat doel bijzondere bijstand verleend. De vraag of in het geval van appellante sprake is van een uitzonderlijke situatie als gevolg waarvan het college op grond van het gemeentelijk beleid de bijzondere bijstand om niet had moeten verlenen, wordt ontkennend beantwoord.

4.4. Een langdurig verblijf in een inrichting al dan niet buiten de schuld van de betrokkene om is op zichzelf genomen geen uitzonderlijke situatie. De gestelde schuld die is ontstaan als gevolg van de psychische gesteldheid van appellante bestaat, zoals ter zitting is toegelicht, uit achterstallige premie van de zorgverzekering. De bijstandsnorm in geval van verblijf in een inrichting wordt ingevolge artikel 23, tweede lid, van de WWB verhoogd met een nominaal bedrag. Blijkens de wetsgeschiedenis bij deze bepaling, Kamerstukken II 2005/06, 30 314, nr. 11, p. 3, komt deze verhoging overeen met de uiteindelijk - na aftrek van de toepasselijke zorgtoeslag - ten laste van de betrokkene blijvende premie. De verlaging van de bijstandsnorm als gevolg van het langdurige verblijf in een inrichting kan gelet op het bepaalde in artikel 23 van de WWB dus niet de oorzaak zijn voor een premieschuld van de zorgverzekering. Appellante heeft het bestaan van andere schulden verder niet aannemelijk gemaakt, zodat in de aflossingscapaciteit van appellante evenmin een aanleiding kan worden gevonden voor de stelling dat de bijzondere bijstand om niet had moeten worden verleend.

4.5. Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

IJ