Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5562

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
10-12-2012
Zaaknummer
11-5950 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Het college heeft vereenvoudigd derdenbeslag gelegd onder de werkgever van appellant. Bezwaar tegen derdenbeslag. Het leggen en continueren van loonbeslag is een privaatrechtelijke rechtshandeling. Appellant kan, terzake van de vraag of (nog) een executoriale titel voor het beslag aanwezig is, desgewenst, een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij de civiele rechter aanhangig maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5950 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 september 2011, 11/1332 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 4 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. E. Tamas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Tamas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.E. Braak.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij drie besluiten van 4 november 1999 heeft het college met toepassing van artikel 83 van de Algemene bijstandswet de bijstand, die in de vorm van een lening is verstrekt en een lening die is verstrekt voor bedrijfskapitaal van appellant teruggevorderd tot een totaalbedrag van ƒ 76.553,22. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant zich niet heeft gehouden aan zijn verplichtingen.

1.2. Bij brief van 6 april 2009 heeft het college vereenvoudigd derdenbeslag gelegd onder de werkgever van appellant. Het college heeft appellant daarvan bij schrijven van 21 april 2009 in kennis gesteld. Bij brief van 17 januari 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de beslaglegging.

1.3. Bij besluit van 10 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat bezwaar alleen mogelijk is tegen een bestuursrechtelijk besluit of rechtshandeling. Het door appellant ingediende bezwaar is niet gericht tegen een publiekrechtelijk rechtsgevolg maar tegen een privaatrechtelijk rechtsgevolg.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij betoogt - samengevat - dat het college geen invorderingsbesluit heeft genomen en zonder deze beslissing is overgegaan tot beslaglegging op het inkomen van appellant. Nu het college geen invorderingsbesluit heeft genomen, is de verjaringstermijn van vijf jaar verstreken en daarmee ontbreekt de titel voor invordering, en dus ook de grond voor het leggen van beslag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De brief van het college van 21 april 2009 is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het eerste deel van de brief bevat slechts informatie van feitelijke aard, het tweede deel is niet gericht op een publiekrechtelijk rechtsgevolg. Het leggen en continueren van loonbeslag is immers een privaatrechtelijke rechtshandeling. Appellant kan, terzake van de vraag of (nog) een executoriale titel voor het beslag aanwezig is, desgewenst, een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij de civiele rechter aanhangig maken. Zie de uitspraak van de Raad van 15 mei 2007, LJN BA6447.

4.2. Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of de vorderingen verjaard zijn. Deze grond faalt. De vraag of wel of geen sprake is van verjaring lag niet ter beoordeling aan de rechtbank. Dit volgt uit hetgeen onder

4.1 is overwogen. Appellant kan dit in een executiegeschil bij de civiele rechter aan de orde stellen.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte

(get.) R. Scheffer