Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5556

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
10-12-2012
Zaaknummer
11-1965 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand op de grondslag dat appellant kan worden aangemerkt als zelfstandige en in die hoedanigheid niet tot de doelgroep van de Wet werk en bijstand (WWB) behoort. Appellant was gedurende de hier te beoordelen periode voor de voorziening in zijn bestaan aangewezen op arbeid in het eigen transportbedrijf en aldus was aan te merken als zelfstandige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004.

Wetsverwijzingen
Besluit bijstandverlening zelfstandigen, geldigheid: 2012-12-04
Participatiewet, geldigheid: 2012-12-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1965 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 maart 2011, 10 - 4491 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

Datum uitspraak: 4 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Hopman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 15 januari 2010 heeft appellant een aanvraag om bijstand gedaan, welke aanvraag bij besluit van 15 februari 2010 buiten behandeling is gesteld. Op 3 maart 2010 heeft appellant wederom een aanvraag om bijstand gedaan. Deze aanvraag is bij besluit van 19 maart 2010 afgewezen.

1.2. Bij besluit van 23 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2010 gegrond verklaard. Hiertoe heeft het college overwogen dat de opgevraagde gegevens geen financieel relevante gegevens betreffen die voor de beoordeling van de aanvraag om bijstand van belang zijn. Voorts heeft het college overwogen dat de aanvraag van 15 januari 2010 afgewezen had moeten worden op de grondslag dat appellant kan worden aangemerkt als zelfstandige en in die hoedanigheid niet tot de doelgroep van de Wet werk en bijstand (WWB) behoort. Op deze laatste grondslag heeft het college tevens het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 maart 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was appellant ten tijde in geding aan te merken als zelfstandige in de zin van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) en heeft hij hierom geen recht op bijstand ingevolge de WWB. Voorts heeft de rechtbank het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel afgewezen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zich op 30 december 2009 heeft gemeld bij het CWI en twee keer een aanvraag om bijstand heeft gedaan met als ingangsdatum 1 januari 2010. Waar, zoals in dit geval, de eerste aanvraag om bijstand buiten behandeling is gesteld en eerst na de tweede aanvraag inhoudelijk is beslist op een eventueel recht op bijstand en de beoogde ingangsdatum van de bijstand hetzelfde is, loopt de te beoordelen periode vanaf de datum van de melding tot en met de datum van de inhoudelijke beslissing op de aanvraag. Omdat de beoogde ingangsdatum in dit geval is gelegen na de datum van melding, loopt in dit geval de te beoordelen periode van 1 januari 2010 tot en met 19 maart 2010.

4.2. Artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 bepaalt dat onder zelfstandige wordt verstaan: de belanghebbende van 18 tot 65 jaar, die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan, voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, en alleen of samen met degene met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico's daarvan draagt.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 21 augustus 2007, LJN BB4026, kan een belanghebbende die aan de onder 4.2 vermelde criteria voldoet, slechts in de hoedanigheid van zelfstandige en met toepassing van artikel 2 van het Bbz 2004 eventueel aanspraak maken op bijstand ingevolge het Bbz 2004. Met het Bbz 2004 is beoogd een sluitend systeem van bijstandsverlening aan zelfstandigen te bieden, zodat personen die als zelfstandige in bovenvermelde zin worden aangemerkt, geen recht op bijstand op grond van de WWB toekomt.

4.4. Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien bijstand op grond van de WWB wordt aangevraagd, dient het bijstandverlenend orgaan aan de hand van de WWB te beoordelen of aanspraak op bijstand bestaat. Dat is slechts anders indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat de aanvrager onmiskenbaar moet worden aangemerkt als een zelfstandige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 en hij bijstand op grond van het Bbz 2004 verlangt. Ook hier ligt het op de weg van de aanvrager om op verzoek van het bijstandverlenend orgaan de voor deze beoordeling relevante inlichtingen te verstrekken.

4.5. Met betrekking tot de vraag of appellant al dan niet als zelfstandige moet worden aangemerkt, zijn de volgende, uit de dossierstukken volgende gegevens van belang. Appellant heeft ten behoeve van de aanvragen twee maal een ‘inlichtingenformulier aanvraag WWB’ ingevuld. Op beide inlichtingenformulieren heeft appellant vermeld dat het totaalsaldo van zijn bankrekeningen, waaronder bedrijfsrekeningen, circa € 7.000,-- bedraagt, dat hij een bedrijfsauto bezit en dat hij een eigen bedrijfspand heeft dat hij tevens bewoont. Voorts heeft appellant tijdens de intakegesprekken op 15 januari 2010 en 15 maart 2010 aangegeven dat hij een eigen transportbedrijf heeft waaruit hij weinig of geen inkomsten heeft en dat hij graag iets anders wil gaan doen. Appellant heeft te kennen gegeven zijn bedrijf niet meteen te willen beëindigen, omdat hij nog enkele opdrachten had lopen en ook zijn vaste lasten na beëindiging te hoog zouden worden. Ook heeft appellant medegedeeld de inschrijving van zijn bedrijf in de registers van de kamer van koophandel niet te willen laten doorhalen, omdat dan een schuld aan de Belastingdienst zou ontstaan van circa € 10.000,-- wegens overwaarde op het bedrijfspand.

4.6. Appellant stelt dat een medewerker van de dienst Sociale zaken van de gemeente Haarlem tijdens het intakegesprek heeft bepaald dat hij algemene bijstand zou aanvragen en dat het hem om het even was of hij bijstand op grond van de WWB of als zelfstandige zou ontvangen. Deze stelling kan appellant niet baten. Het behoort immers tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om de inhoud van zijn aanvraag te bepalen. Appellant heeft onmiskenbaar tot tweemaal toe een aanvraagformulier ondertekend dat gericht was op het verkrijgen van algemene bijstand op de grond van de WWB.

4.7. Onder de omstandigheden als onder 4.5 weergegeven en gelet op hetgeen onder 4.6 is overwogen, heeft het college de aanvraag van appellant niet anders hoeven op te vatten dan als een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand op grond van de WWB.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode voor de voorziening in zijn bestaan was aangewezen op arbeid in het eigen transportbedrijf en aldus was aan te merken als zelfstandige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004. Hieraan doet niet af dat het bedrijfsresultaat van het transportbedrijf negatief was, zoals appellant heeft aangevoerd. De beoordeling van de levensvatbaarheid van een onderneming komt immers eerst aan de orde als bijstand ingevolge het Bbz 2004 is aangevraagd, hetgeen hier niet het geval is. Daargelaten voorts of appellant ten tijde in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, komt appellant als zelfstandige geen recht toe op bijstand op grond van de WWB. De aanvraag van appellant is dan ook op juiste gronden afgewezen. Appellant kon daarom ook geen aanspraak maken op re-integratievoorzieningen, zoals een verwijzing naar Paswerk, waarmee hij, naar hij stelt, een arbeidsinkomen zou kunnen verwerven en zijn bedrijf had kunnen aanhouden.

4.9. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.H.L.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(get.) O.H.L.W.I. Korte

(get.) R. Scheffer